Het falen van de feiten

Wantrouwen in de wetenschap

In het Westen slinkt het vertrouwen in de wetenschap. Technologische vernieuwing knaagt aan traditionele waarden. Een beroep op de feiten is niet genoeg, want feiten zijn vaak amoreel en waarden zijn ook waar.

Melanie Peters schrok toen ze een oproep kreeg om haar 12-jarige dochter te laten inenten tegen het humaan papillomavirus (hpv). Dat virus wordt via seksueel contact overgedragen en kan baarmoederhalskanker veroorzaken. „Mijn kind zat nog op de basisschool, en opeens moest ik over haar nadenken in termen van seksualiteit. Dat wilde ik eigenlijk niet”, zegt Peters. Ze is directeur van het Rathenau Instituut in Den Haag. Dat instituut bestudeert meningsvorming over wetenschap en technologie, en organiseert publieksdebatten. Wat Peters zich ook herinnert van de brief, is de dwingende toon ervan. „Het voelde alsof de overheid opeens achter je voordeur staat.” Met andere woorden: Peters begrijpt wel waarom er zoveel maatschappelijke weerstand ontstond toen het vaccin werd geïntroduceerd in 2010.

Waarom verzetten mensen zich tegen vaccinatie? Tegen de plaatsing van zendmasten voor mobiele telefonie? Of tegen het gegeven dat het klimaat opwarmt? En klopt het wat je nu vaak hoort: dat het wantrouwen in wetenschap en technologie stijgt? Als dat zo is, waarom dan?

Negen wetenschappers

Voor dit stuk is met negen wetenschappers in binnen- en buitenland gesproken of gemaild. De een houdt zich bezig met meningsvorming, de ander met wetenschapsjournalistiek, weer een ander zoomt in op gesprekken tussen burgers en wetenschappers.

Het beeld is complex, maar wat in ieder geval duidelijk wordt, is dat de publieke weerstand vaak niet om de wetenschap of om de kale feiten draait. Het gaat om de morele waarden waaraan die feiten raken. „En helaas worden die niet of nauwelijks besproken”, zegt Peters.

Wantrouwen

Het vertrouwen in de wetenschap daalt. In ieder geval in de Verenigde Staten. Voor Europa is het niet duidelijk, aldus Peter Achterberg, hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Tilburg. „Want er is geen systematisch onderzoek naar gedaan.” De Eurobarometer, die onder andere dit wantrouwen meet op basis van een enquête, is daarvoor te onregelmatig uitgevoerd.

Achterberg stuurt per e-mail een onderzoek uit 2012 van zijn Amerikaanse vakgenoot Gordon Gauchet. Die onderzocht het vertrouwen in de

Illustraties Tomas Schats

wetenschap in de VS, over de periode 1972-2010. Hij baseerde zich op de General Social Survey, een enquête die over die periode 28 keer was gehouden. Gemiddeld daalde het vertrouwen heel licht, maar het beeld veranderde als hij de ondervraagden opsplitste in politieke ideologie. Met name onder conservatieven daalde het vertrouwen vanaf 1980 sterk. Bij liberalen en gematigden schommelde het vertrouwen een beetje op en neer door de jaren, maar over de gehele periode bleef het min of meer gelijk.

Gauchet koppelt het dalende vertrouwen aan de opkomst sinds de jaren 70 van the new right, een sterk conservatieve beweging die nadruk legt op traditionele waarden, en waarin het christelijk geloof een belangrijke rol speelt. Zij ziet de wetenschap als tegenstander. Niet alleen om haar totaal andere wereldbeeld, maar ook omdat die met zijn aanhoudende stroom aan nieuwe kennis en nieuwe technologieën een constante aanval onderneemt op bestaande zekerheden. Verder zijn in deze conservatieve beweging ook multinationals sterk vertegenwoordigd. Die verzetten zich om andere redenen tegen de wetenschap: omdat ze met haar adviezen over de bescherming van werknemers en milieu voor steeds maar weer nieuwe regelgeving zorgt. Dat gaat ten koste van de winstmarge. Daarom richten de pijlen zich, ook nu in de nieuwe regering-Trump, zo sterk op het milieubureau van de overheid, de EPA.

„In Europa gebeurt, in ieder geval deels, hetzelfde”, schrijft Brian Wynne in een e-mail. Hij is emeritus hoogleraar Wetenschapstudies aan de Universiteit van Lancaster. Hij verwijst naar een Eurobarometer van 2010. Daaruit blijkt dat de ondervraagden weliswaar veel goeds verwachten van de wetenschap. Maar tegelijkertijd vindt 59 procent dat wetenschap de manier van leven te snel verandert. En 38 procent vindt dat we te veel op de wetenschap vertrouwen, en te weinig op het geloof.

 

Kennissamenleving

Wynne coördineerde in 2007 een onderzoek naar de kennissamenleving, in opdracht van de Europese Commissie. Die vroeg zich af hoe het publieke vertrouwen in de wetenschap hersteld kon worden – dit was na jaren van onrust rond genetisch gemodificeerde organismen en uitbraken van dierziekten zoals BSE. De groep deskundigen concludeerde in haar eindrapport dat de kennissamenleving overschaduwd is geraakt door „de economie van wetenschappelijk-technologische beloften”.

Na de Tweede Wereldoorlog beloven politici dat de mensen het alleen maar beter zullen krijgen, mede om sociale onrust te kalmeren. We gaan de landbouw weer optuigen. We gaan naar de maan. We gaan kanker verslaan. In die vergezichten van hoop speelt wetenschap een centrale rol. Gaandeweg groeit ook het belang van wetenschap en kennis in economische groeimodellen. Voor die groei zijn nieuwe producten nodig, nieuwe diensten. Dat vraagt investeringen in onderzoek & ontwikkeling (r&d). Wetenschap staat aan de basis van die innovatie-machine. Internationaal ontstaat een race om steeds meer in r&d te investeren. Om maar niet achterop te raken.

In deze economische „tirannie van de noodzaak” heeft de burger amper een stem, aldus het rapport. Het heeft te maken met het standaard idee van innovatie, dat lange tijd als een lineaire keten wordt voorgesteld: de wetenschap vindt uit, de industrie past toe, de samenleving conformeert. In dit model hoeft de burger de stroom aan nieuwe technologieën alleen maar te slikken. Als consument. En als de burger al zorgen heeft, dan worden die ondervangen via risico-analyses. Maar die houden weinig rekening met morele kwesties.

De feiten

Maar dan nog blijft de vraag: hoe kan iemand de opwarming van het klimaat ontkennen? Of zijn kind niet laten vaccineren? De feiten spreken toch voor zich?

„Maar soms spreekt hetzelfde feit anders tegen verschillende soorten

mensen”, zegt Sander van der Linden. Hij is hoogleraar sociale psychologie aan de universiteit van Cambridge. Over het aantal manen rond Jupiter zal weinig maatschappelijke ophef ontstaan, zegt hij. Conflicten zie je meestal rond kwesties die raken aan morele waarden: respect voor hiërarchie, gelijkwaardigheid, loyaliteit, het vermijden van schade. In zo’n geval gaan mensen selectief om met feiten: sommige vallen meer op dan andere. „Het wereldbeeld is een lens waar doorheen je naar de feiten kijkt”, zegt Van der Linden.

Dit is ook de lijn die de Belgische bioloog en filosoof Ruben Mersch uiteenzet in zijn vorig jaar verschenen boek Waarom iedereen altijd gelijk heeft. Het staat vol psychologische experimenten die laten zien hoe leidend het morele waardensysteem in het dagelijks leven van mensen is bij het vormen van meningen, en het inpassen van feiten.

Daarnaast spelen nog andere psychologische factoren, zegt Van der Linden. Bijvoorbeeld dat de eerste informatie die je over iets hoort, makkelijk in het geheugen blijft hangen. Zoals: vaccins veroorzaken autisme. „Dat noemen we een sticky fact. Het is heel moeilijk om zo’n ‘feit’ weer te corrigeren.”

Morele bubbel

Hij wijst ook nog op de rol van internet, en sociale media. Het risico bestaat dat mensen er alleen met gelijkgestemden in contact komen. „Het versterkt hun leven in een morele bubbel.”

En de wetenschap wantrouwen is iets anders dan je er actief tegen verzetten. In de praktijk blijkt maatschappelijke weerstand vooral te ontstaan als wetenschap mengt met politieke of commerciële belangen. En als vervolgens zorgen vanuit de samenleving worden weggewuifd. Dat concludeerde het Rathenau Instituut drie jaar geleden na het bestuderen van zes casussen, zoals die van de hpv-vaccinatie en de winning van schaliegas. „In die gevallen was er al een doel, of een beleid, en zetten politici of bedrijven feiten selectief in om dat te ondersteunen”, zegt directeur Melanie Peters. Ook dat is een trend van na de Tweede Wereldoorlog. De politiek is de wetenschap steeds meer gaan inzetten als leverancier van dé waarheid, om beleid te onderbouwen. Maar politiek is keuzes maken en die uitleggen, als keuze, niet als onvermijdelijke waarheid. Peters waarschuwt: deze politisering van de wetenschap tast het beeld aan dat ze onafhankelijk en objectief is. „Wetenschappers laten zich te makkelijk voor die politieke kar spannen.”

En als het toch tot een discussie komt tussen burgers en wetenschappers, ontstaat er een volgend probleem. „Dan wordt het gesprek juist vernauwd tot alleen maar de feiten”, zegt Peters. Dat beeld herkent Hedwig te Molder, hoogleraar Wetenschapscommunicatie aan de universiteiten van Wageningen en Twente. Ze analyseert gesprekken tussen burgers en wetenschappers. „Niet alleen wetenschappers maar ook burgers beroepen zich voortdurend op feiten”, zegt ze. Dan zeggen ze: wat ik er tot dusver over heb gelezen…. Of: dat is bewezen. „Het is in onze verwetenschappelijkte samenleving enorm belangrijk om vooral niets klakkeloos aan te nemen. Je moet aan anderen bewijzen, of in ieder geval veinzen, dat je geen sukkel bent. Rationaliteit is de norm”, zegt Te Molder. Maar daarmee blijft de werkelijke reden van protest, die dieper liggende morele kwesties, verhuld. Zoals: hoe ben ik een goede ouder, een sociale burger? Hoe wil ik dat mijn leefomgeving eruit ziet? „Daarover wordt niet gesproken.”

Efficiëntie en competitie

Ook wetenschappers zelf zijn hun informatie meer gaan uitdragen als absolute waarheden, zegt Hans Peter Peters, hoogleraar Wetenschapsjournalistiek aan de Universiteit van Berlijn. Dat heeft volgens hem te maken met ontwikkelingen aan de universiteiten. Bijvoorbeeld met de intrede van new public management in de loop van de jaren 80. Ook universiteiten moesten bestuurd worden als bedrijven: efficiënt en effectief. Met veel nadruk op competitie. Onderzoekers werden beoordeeld op basis van twijfelachtige indicatoren, zoals het aantal citaties dat hun publicaties haalt. Het heeft geleid tot een sterke nadruk op positieve resultaten, want het idee is dat die meer citaties trekken.

„En als de wetenschappers zelf al niet te boude uitspraken doen, dan is er nog de pr-afdeling”, zegt Peters. Ook de media hebben liever duidelijke, concrete berichten – één glas wijn per dag, 30 minuten intensief bewegen per dag – dan twijfel of te veel nuance.

Oplossingen

Wat bij de discussies over morele kwesties in ieder geval niet werkt, is het geven van extra informatie die het eigen gelijk moet bewijzen. Het is al vaak aangetoond. Met de discussie rond genetisch gemodificeerde organismen, rond klimaatopwarming. „Dat versterkt vaak alleen de polarisatie”, zegt Hedwig te Molder. „Want in wezen val je de ander op zijn waarden aan.” Toch blijft deze theorie van het kennisgebrek, het deficit model, extreem populair. We moeten het nóg beter uitleggen, denken veel wetenschappers bij burgerverzet.

Volgens Te Molder moet er juist veel meer discussie komen over die morele waarden. Dat zegt ook Melanie Peters van het Rathenau Instituut. „En dan zonder meteen met feiten te gaan gooien. Dus laten we eerst eens fact free beginnen.”

Ruben Mersch komt in zijn boek op hetzelfde uit. Debatteren, maar wel met respect voor de ander. En niet online, maar in persoonlijk contact. Want dan besef je „dat de ander ook maar een mens is”, schrijft hij. Mersch haalt een experiment aan van Hannah Tuller van de universiteit van Californië. Ze liet studenten twee-aan-twee met elkaar praten over abortus. Van te voren had elke deelnemer te horen gekregen dat de gesprekspartner er een tegengestelde visie op nahield. Iedereen moest zich zo goed mogelijk inleven in de ander, en diens argumenten opschrijven. Die tekst zou de gesprekspartner ook te lezen krijgen. Het resultaat? De deelnemers konden meer begrip opbrengen voor de ander, en werden gematigder in hun standpunt. Maar die depolarisatie trad alleen op als er ook persoonlijk contact met die ander was.

Om de discussie tussen boze burger, overheid en wetenschap te verbeteren pleit Brian Wynne van de universiteit van Lancaster voor nieuwe master narratives waarmee we onze wereld verbeelden en structuur geven. Het huidige standaardverhaal van de ‘race om technowetenschappelijke innovaties’ overweldigt de burger, onderwerpt de samenleving, laat weinig tijd voor twijfel en debat, en voedt het wantrouwen in wetenschap.

Ook de wetenschap kan beter, zegt Melanie Peters. Het beoordelen van wetenschappers moet niet zo sterk van citaties afhangen. Verder moeten ze vooral uitkijken met het claimen van waarheden. „De wetenschap is er om vragen te stellen.” Te Molder voegt eraan toe dat wetenschappers moeten leren toegeven als ze iets niet weten. Nu zitten ze nog te veel vast aan de identiteit van de expert, die moet weten hoe het zit. „Het is voor ons allemaal pech dat de wereld niet zo eenvoudig is als we zouden willen. We moeten dat erkennen, niet verhullen.”

Hans Peter Peters uit Berlijn wil verbeteringen in de informatievoorziening, vooral op internet. „We moeten daar de klassieke journalistiek, die dingen uitzoekt, versterken.” Het is wel de vraag, zegt hij, of de gebruiker daarvoor wil betalen. Hij vindt het een goed initiatief dat Facebook in Duitsland nepnieuws gaat uitfilteren, in samenwerking met een groep onderzoeksjournalisten.

In het verlengde daarvan heeft Sander van der Linden uit Cambridge net onderzoek gepubliceerd over een manier om nepnieuws te neutraliseren (Global Challenges, januari 2017). „Een beetje zoals een vaccin werkt”, zegt hij. Je geeft een beetje detail-informatie over het nepnieuws, voordat je mensen blootstelt aan het volledige nepnieuws. Van der Linden testte het met uitspraken over de wetenschappelijke consensus rond klimaatopwarming. 97 procent van de wetenschappers is het erover eens dat de menselijke uitstoot van CO2 de aarde opwarmt. Maar het Oregon Global Warming Petition Project probeert hierover twijfel te zaaien. Het stelt dat er voor die menselijke rol geen bewijs is. Ze zou al door ruim 31.000 wetenschappers zijn ondertekend. „Maar bij de ondertekenaars zitten ook mensen als Charles Darwin en de Spice Girls”, zegt Van der Linden. Als je mensen ‘inent’ met zulke specifieke informatie over de petitie zonder de hele emmer van argumenten om te kiepen, gaan ze meer geloven dat er consensus is. Niet alleen Democraten, maar ook Republikeinen.

„Maar”, zegt Van der Linden, „ik moet voorzichtig zijn.” Het onderzoek is in het laboratorium uitgevoerd. Hij wil graag testen of het ook in de praktijk zo uitwerkt. „Dus moet ik zeggen: met de kennis die we nu hebben….”

Voor reacties: wetenschap@nrc.nl