Een loyaal radertje in de nazi-machinerie

foto blackbox

Drie jaar lang werkte ze als secretaresse van Joseph Goebbels, de propagandaminister van Hitler. Maar van de massamoord op de Joden wist ze niets, zou ze later stug volhouden.

Brunhilde Pomsel, die vorige week op 106-jarige leeftijd in München is overleden, ontleende tegen het eind van haar lange leven een zekere twijfelachtige faam aan haar nabijheid tot de nazitop, die duurde tot in de allerlaatste dagen van het Derde Rijk, in de Führerbunker in Berlijn.

Af en toe sprak Pomsel in interviews over die tijd. Veel bijzonders had ze zelden te melden – Goebbels was een koude, ijdele man, ze had een keer bij hem thuis gebraden gans gegeten, ze was geschokt toen ze hoorde dat eerst Hitler zelfmoord had gepleegd, en een dag later ook Goebbels en zijn vrouw, nadat ze eerst hun zes kinderen hadden omgebracht.

Schuldig heeft Pomsel zich nooit gevoeld over haar deelname aan de nazi-machinerie. Ik was maar een gewone typiste, zei ze, en apolitiek bovendien. Ze had cijfers over militaire verliezen naar beneden bijgesteld, en aantallen verkrachtingen door militairen van het Rode Leger naar boven.

Ze werd goed betaald, ze had een prettig leven – en tja, al die executies... „Maar om in verzet te komen, daar ben ik te laf te voor”, zei ze in een documentaire, Ein deutsches Leben, die afgelopen zomer uitkwam. In die film zegt ze ook: „Tegenwoordig doen de mensen alsof zij meer voor de arme Joden gedaan zouden hebben. Ik geloof in hun goede bedoelingen, maar in werkelijkheid hadden ook zij niets kunnen doen.” En met wel erg weinig gevoel voor verhoudingen voegde ze daaraan toe: „Het hele land zat onder een stolp. We zaten zelf in één reusachtig concentratiekamp.”

Brunhilde Pomsel was meteen in 1933 toen Hitler aan de macht kwam lid geworden van diens partij, de NSDAP. Ze werkte eerst bij de radio, maar toen ze in 1942 de kans kreeg bij het ministerie van Propaganda te gaan werken, greep ze die met beide handen aan.

Na de oorlog zat ze vijf jaar vast in gevangenkampen van het Rode Leger, onder meer in Buchenwald. Toen ze vrijkwam vond ze weer werk als secretaresse – bij de publieke omroep.