Deze schrijfster tikt in een glazen huisje aan zee

In de uitbouw van haar grootmoeders huis aan zee vindt schrijver Katrijn van Bouwel inspiratie voor verhalen. „Tussen de mensen ben ik een entertainer. Hier leef ik inwendig, afgezonderd van de wereld.”

Katrijn van Bouwel Foto Wouter van Vooren / NRC

Als ik thuis niet kan schrijven, moet ik naar het huisje in de duinen”, zegt Katrijn van Bouwel (1981). De Vlaamse auteur debuteerde afgelopen herfst met De muze en het meisje. In de glazen uitbouw van het huis in Koksijde maakt ze haar bedje op. Alles gebeurt op die 12 vierkante meter – slapen, eten en schrijven – de rest van het huisje gebruikt ze niet.

Acht potten thee per dag

Naast schrijven is thee zetten haar belangrijkste activiteit. Ze zet acht of negen potten per dag. „Ik drink geen alcohol en frisdrank, dus ik verwen mezelf met goede thee. Hele lekkere earl grey bijvoorbeeld, geen zakjes maar blaadjes van een theehuis. Of speciale bloemen, een soort zee-anemonen die openwaaien in mijn thee, dat vind ik prachtig. Ik drink hier ook liters koude thee, dat betekent dat ik goed aan het schrijven ben.”

De natuur bepaalt het ritme van haar dag, Van Bouwel zet geen wekker. „Als ik wakker word, trek ik de gordijnen opzij en blijf ik in bed, soezen, liggen nadenken. Woorden op papier zetten komt later.”

Zestig uur tegen niemand praten

’s Ochtends is ze sowieso niet in de praatmodus, maar hier aan zee zegt ze soms wel zestig uur niets. „Eén notenbrood alstublieft, is soms het eerste wat ik zeg in drie dagen. Dat is bijzonder, want ik ben gewend om op het toneel te staan en extravert te zijn. Hier leef ik inwendig, afgezonderd van de wereld. Ik wil ook alleen zijn, tussen de mensen word ik iemand anders, een entertainer. Hier vind ik een andere taal, andere inspiratie.” Als ze vier of vijf dagen in het huisje is geweest, keert ze terug naar haar huis in Bertem met lappen tekst, metaforen en beschrijvingen. „Al die stukjes liggen klaar om verder uit te werken. Alsof ik aan zee inkopen heb gedaan en thuis alleen nog maar hoef te koken.”

Als ik thuis ben, moet ik soms naar zee. Dat is mijn eigen eb en vloed.

Het water ziet ze overigens zelden. „Ik voel de zee wel. Soms stap ik uit de veranda en doe ik het poortje naar de duinen open. Ik zet twintig of dertig stappen in het mulle zand. Daar ga ik zitten en kijk ik naar de plek waar ik aan het schrijven ben. Dan komen de paragrafen vanzelf en moet ik snel terug om op te schrijven wat zich net presenteerde in mijn hoofd. Bij mij moet een verhaal gaan leven en gaandeweg ontstaan. Ik heb geen plan vooraf, alleen een beginpunt en vanaf daar moet het verhaal zich vormen.”

Zo had ze op een gegeven moment thuis haar hoofd gebroken over een scène waarin haar twee hoofdpersonen ruzie maken. „In de duinen zag ik die scène voor me. Als ik hier ben, vallen bepaalde filters weg en kan ik het opschrijven zoals ik het voor me zie.”
Na een tijd mist ze mensen wel. „Dan moet ik me vullen met andere dingen dan de natuur en mijn binnenste. Omgekeerd gaat het net zo: als ik thuis ben, moet ik soms naar zee. Dat is mijn eigen eb en vloed.”