In de vluchtelingenkampen van Lesbos zijn ook de artsen wanhopig

Arts op Lesbos In de vluchtelingenkampen op Lesbos proberen artsen de patiënten zo goed mogelijk te helpen. Maar de omstandigheden zijn bar en de middelen zeer beperkt. Verslaggever Maral Noshad Sharifi liep een paar dagen mee.

Marieke en hoofdarts Diane bekijken welke medicatie geschikt is voor zijn constipatie. Foto Ans Brys

Met zijn handen tussen zijn benen en zijn gezicht naar de muur maakt de Iraakse tiener zich zo klein mogelijk. Met naald en draad hecht arts Marieke van der Noordaa (27) het gat in zijn hoofd dicht. „Ik hoop dat de wond goed heelt”, zegt ze, terwijl ze boven zijn hoofd staat.

„In Nederland zou dit veel sterieler gebeuren.”

De 15-jarige vluchteling doet zijn best niet te huilen – maar dan krijgt hij nog een hechting, en nog een. Dikke tranen stromen langzaam over zijn wang.

De tiener was slaags geraakt met een andere vluchteling in het kamp Kara Tepe op het Griekse eiland Lesbos, nadat hij een ‘fuck you’ had gekregen. „Een jongen die hier alleen binnenkomt en dan alleen gehecht moet worden zonder dat zijn moeder zijn hand vasthoudt”, zegt Van der Noordaa na afloop. „Dat is toch erg?”

Met een chirurgisch mesje heeft ze het haar rond de wond moeten wegsnijden. De scheermessen zijn op. Na drie hechtingen en wat paracetamol verschijnt er weer een glimlach op het gezicht van de tiener. „No more fighting, okay?” zegt Van der Noordaa tegen hem. „Okay”, belooft hij. „Thank you!” En weg is-ie.

Sneeuwstorm

Op Lesbos verblijven nog altijd 4.845 vluchtelingen die wachten op een gesprek over hun asielaanvraag. Ze willen doorreizen naar andere landen in Europa, maar sinds de migratiedeal met Turkije is dat nog lastiger geworden. De Europese Commissie heeft de situatie onhoudbaar genoemd, maar houdt Griekenland voor de kampen verantwoordelijk en verwijt lidstaten dat ze het laten afweten.

De families in het vluchtelingenkamp Kara Tepe kunnen geholpen worden door artsen van Stichting Bootvluchteling, waar voornamelijk Nederlandse medici vrijwillig werken, en met beperkte middelen. In de cabine van de artsenpost staan een bureau, een behandelbed en een paar kasten met medicijnen – die nemen de artsen zelf mee, worden gedoneerd of door de stichting aangeschaft.

Marieke van der Noordaa is net begonnen met haar werk op het eiland. Op haar eerste dienst heeft ze er alweer zeven patiënten opzitten en ze wil eigenlijk even bijkomen in de wc, maar dat kan niet. De 23-jarige Soma loopt in haar kletsnatte jas naar binnen. „Hier is mijn echo”, zegt ze. „Kunt u een zwangerschapsverklaring schrijven, die ik aan [VN-vluchtelingenorganisatie, red.] UNHCR kan geven?”

Soma heeft al twee kinderen, een van drie en een van zeven. De Iraakse Koerdische vertelt dat iedereen hier met opzet zwanger wordt. „Dan krijgen ze een brief die ze aan UNHCR geven en kunnen ze gemakkelijker door naar Athene.” Bij haar ging het per ongeluk.

„Ik wilde eigenlijk geen kind, het leven hier is al zwaar genoeg met de kinderen die ik heb. God heeft me dit kind gegeven.”

Soma vertelt dat ze slecht slaapt uit angst dat haar onrustige zoon hun container uit rent. Terwijl de artsen willen weten of ze vitaminepillen slikt – het eten in het kamp is niet geschikt voor zwangere vrouwen – staan de volgende tien patiënten al te kloppen op de deur. „Alstublieft, mogen we naar binnen, mijn moeder heeft pijn.” En: „We staan al een half uur te wachten. Kan de arts nu komen?”

Het is hartje winter en er heerst chaos. Er is net een sneeuwstorm geweest en veel vluchtelingen zijn ziek; ze hebben hoge koorts, verkoudheid, maagklachten. Omdat sommigen geen schoenen hebben, of te kleine schoenen dragen, zien de artsen veel wonden op voeten. Ook is er schurft uitgebroken en zijn er nogal wat miskramen.

Lees ook het verslag dat Maral Noshad Sharifi eerder schreef vanaf Lesbos: In de vrieskou in een tentje

Communiceren met de patiënten is lastig. Vluchtelingen die een paar woorden Engels spreken, helpen met vertalen, maar het gaat snel mis. Zo vertelt een 13-jarige Afghaanse tiener de Amerikaanse arts die hier vandaag met Van der Noordaa dienst heeft, dat ze pijn heeft tijdens het poepen. Ze gebruikt het woord pipi, dat poepen betekent in het Perzisch, een taal die veel Afghanen spreken. „Ah, pipi problems”, knikt de arts, wat in háár taal weer plassen betekent.

Hij krijst van pijn

Er wordt hard op de deur geklopt. „Please come, please come”, schreeuwt iemand. Van der Noordaa rent naar buiten en ziet Soma, die eerder om een zwangerschapsverklaring vroeg, huilend op het bankje zitten met in haar armen haar zoontje van drie. Hij krijst het uit van de pijn. „Hij is uit het stapelbed in de container gevallen”, stottert Soma. „Zijn been is denk ik gebroken.”

Van der Noordaa ziet meteen dat het niet goed is; een stukje bot steekt uit het been. De pijnstillers die ze de kleuter geeft, spuugt en blaast hij er gelijk uit. „Eet! Eet! Eet nou!” roept Soma in het Koerdisch naar haar zoon. Hij gilt onophoudelijk terug.

Terwijl Van der Noordaa de ambulance belt, zien andere patiënten buiten wat er gebeurt. Een Iraanse man van in de dertig beweegt zich naar de deur. „Als die ambulance dan toch komt, kan mijn vriend dan niet meteen mee?”, zegt hij tegen Van der Noordaa. Hij wijst naar een jongeman die zijn gezicht heeft samengetrokken van de pijn.

Het mag niet.

Als de ambulance er een half uur later is, loopt de Iraanse jongen met rugpijn naar binnen. Hij leunt op de arm van zijn beste vriend die hij onderweg in Turkije ontmoette. De jongen is twintig jaar, speelde op hoog niveau voetbal in Iran. Hij is nu vier maanden in Griekenland en heeft al die tijd al rugpijn.

„Hij heeft een hernia en moet geopereerd worden, maar ik kan hem alleen maar medicatie tegen de pijn geven”, zegt Van der Noordaa, terwijl ze zijn medisch dossier bekijkt. „De artsen in het ziekenhuis willen liever niet dat wij mensen naar ze doorsturen omdat ze al onderbemand zijn.” De jongen krijgt weer ibuprofen mee en verlaat de cabine.

De Amerikaanse arts die dienst heeft met Van der Noordaa werkt al tientallen jaren in vluchtelingenkampen en conflictgebieden. „De situatie is in Kara Tepe nog best prettig omdat mensen in containers wonen, maar in Moria is het echt verschrikkelijk”, zegt ze.

„Ik heb nog nergens anders gezien dat ze mensen in de kou laten slapen in onverwarmde tenten. Ook niet in Pakistan. Hoe kan dat in een Europees land na bijna twee jaar nog niet geregeld zijn?”

Na ongeveer dertig patiënten zit de dienst er bijna op. Soma komt als laatste nog even langs met röntgenfoto’s uit het ziekenhuis. Het been van haar driejarige was inderdaad gebroken. Er zit nu gips omheen, vertelt ze. De artsen in het ziekenhuis hebben in het Grieks een doktersvoorschrift geschreven dat Soma aan Van der Noordaa geeft. Ze kijken eerst naar de brief en dan naar elkaar. Ze hebben geen idee wat er staat.

Marieke legt uit hoe de antibiotica Amoxil toegediend moet worden.
Foto Ans Brys
Deze Congolese broertjes van 6 en 9 jaar kampen met hevige tandpijn.
Foto Ans Brys
Foto Ans Brys
De 23-jarige Mohamad uit Pakistan heeft al 11 dagen uitslag op buik, benen en rug.
Foto Ans Brys
Arts en vrijwilliger Marieke van der Noordaa werkt in een artsenpost voor vluchtelingen op het Griekse eiland Lesbos.

Liegen tegen familie

„De Griekse artsen hebben mijn kind vermoord”, schreeuwt een 21-jarige Oegandese vrouw tegen Van der Noordaa. „Ik ben naar Europa gekomen voor mijn kind, maar nu is het dood.”

We zitten in de artsencabine van kamp Moria, een van de meest beruchte vluchtelingenkampen van Europa. Veel mensen die hier wonen liegen daarom tegen hun familie dat ze ergens in een hotel zitten.

Van der Noordaa is net begonnen aan haar avonddienst, die van 16.00 tot 23.00 duurt. Ze zit tegenover een jonge vrouw die haar grote bos met kleine vlechten in een klip heeft vastgezet. Haar handen trillen. Een paar dagen eerder verloor ze haar kind. „Ik was vijf maanden zwanger en alles ging goed, tot twee weken geleden”, zegt ze. „Ineens had ik zoveel pijn. Zoveel pijn. Moria is toch ook geen plek voor een zwangere vrouw?”

Van der Noordaa luistert met grote ogen naar haar verhaal.

„De artsen hier zeiden dat ik naar het ziekenhuis moest gaan, maar daar werd ik weer teruggestuurd naar Moria. Heen en weer, dagenlang. Weet je hoeveel geld dat ons heeft gekost?”

Haar Nigeriaanse man (30), die tot nu toe naar de grond staarde – hij kan het niet verdragen om zijn vrouw in deze toestand te zien – knikt instemmend. „Dat heen en weer gaan heeft ons negentig euro gekost,” zegt hij. Zijn vrouw praat verder.

„Na veel gezeur ben ik vorige week opgenomen. De artsen gaven mij iedere dag veel medicijnen, maar ik kon er niets bij eten”, zegt ze. „Dat eten hier krijg ik niet naar binnen. Onze lichamen zijn anders dan die van Europeanen, waarom snappen artsen dat hier niet?”

Na een paar dagen in het ziekenhuis zonder duidelijke communicatie met de artsen kwam de foetus uit haar lichaam. Dood. „De arts zei dat de baby al twee dagen dood was in mijn baarmoeder”, zegt de vrouw. Het zakdoekje dat ze krijgt aangereikt legt ze naast zich neer, ze zakt in elkaar.

„Ze hebben mijn baby gedood met al die medicijnen die ze me gaven”, schreeuwt ze. „Zonder dat ik het doorhad.” Haar man trekt haar weer omhoog. „Ik heb vier emmers met bloed verloren!” Omdat ze bloed blijft verliezen is ze hier.

Van der Noordaa probeert de vrouw te kalmeren, brengt haar in een rolstoel naar de cabine van de organisatie Médecins du Monde, om een echo te maken, iets wat deze vrouw nog niet eerder kreeg aangeboden – maar daarop valt weinig te zien.„Ik moet haar nu weer doorverwijzen naar datzelfde ziekenhuis waar ze was opgenomen”, zucht Van der Noordaa.

„De laatste plek waar ze nu natuurlijk wil zijn. Ik kan gewoon niets voor haar betekenen.”

De vrouw wil eigenlijk geen medicijnen meer slikken, en niet naar het ziekenhuis, maar belooft toch om de volgende dag langs te gaan bij de gynaecoloog. „Het is gevaarlijk als je bloed blijft verliezen”, maakt Van der Noordaa haar duidelijk. In een rolstoel wordt ze naar een stapelbed in een cabine gebracht.

Dan klopt een 19-jarige Marokkaanse jongen op de deur. In tegenstelling tot in Kara Tepe zijn in Moria wel Arabische-, Perzische- en Pashtuvertalers aanwezig. De Arabische vertaler Basel, die uit Syrië is gevlucht en sinds tien maanden in Moria zit, vertelt Van der Noordaa dat de jongen in het kamp wordt gepest. „De andere jongens hebben gehoord dat hij homoseksueel is. Er wordt drank naar zijn hoofd gegooid en sommigen slaan een arm om hem heen en geven hem kusjes. Hij zit hier nu een maand en zegt dat hij uitgeput is. Hij durft niet te slapen en wil hier weg.”

Van der Noordaa legt even haar hand op de arm van de jongen. „Echt verschrikkelijk dat je in zo’n situatie zit”, zegt ze in het Engels. „Wat ze doen is echt fout.”

Met de andere arts bespreekt ze of het mogelijk is dat de jongen, die met rode ogen en donkere wallen in haar cabine staat, misschien tijdelijk op het schip dat in de haven van Mytilini ligt, kan verblijven. „Er slapen daar zo’n 120 andere mannelijke vluchtelingen maar er is ook veel politie aanwezig, dus misschien voelt hij zich daar veiliger.”

De jongen vindt alles best, als hij maar niet weer in het kamp moet slapen. „Hij is bang dat iemand hem verkracht of in elkaar slaat”, vertaalt Basel. Omdat de hulpverleners van UNHCR die avond al naar huis zijn, moet hij alsnog in een tent slapen.

De 20-jarige Lillian uit Uganda heeft 2 weken geleden een miskraam gekregen na 5 maanden. Ze heeft veel bloed verloren en kan niet voldoende aansterken in het kamp.
Foto Ans Brys
De open schoentjes van een 4-jarig Afghaans meisje. Met temperaturen rond het vriespunt en hevige regenval zijn deze geen geschikt schoeisel.
Foto Ans Brys
De container van Stichting Bootvluchteling is nauwelijks twee bij drie meter groot groot.
Foto Ans Brys
De voorraad medicijnen van Stichting Bootvluchteling bevindt zich onder in de kelder.
Foto Ans Brys

Overal modder

Nu de sneeuw is gesmolten op Lesbos en het hard heeft geregend, ligt er overal modder in Moria. Wie uitglijdt heeft vieze kleren, en een probleem. Aan schone kleding komen is hier nogal een uitdaging.

Het kamp is ingedeeld in groepen. Bij de ingang staan in een lange rij de tenten van Koerden en Syriërs, iets verderop die van de Afghanen. Helemaal aan het einde van het kamp de Nepalezen en Bengalen en onderaan de heuvel de tenten van vluchtelingen uit verschillende Afrikaanse landen. Bakstenen en kisten vol kleine steentjes moeten voorkomen dat de licht ontvlambare tentjes wegwaaien.

Vanaf 21 uur ’s avonds, als het al donker is, wordt het steeds rumoeriger in Moria. Uit verschillende tenten hoor je gegiechel van groepjes jongens, en veel muziek; van techno tot Arabische hits. De sfeer bij de artsenpost verandert langzaam. Naast de cabine staan dronken jongens te wachten op hun vriend, die na vijftien minuten weer buiten staat met een verband om zijn pols. Zijn hele arm zit vol met horizontale sneeën.

„Veel jongeren hier doen aan automutilatie. Ze snijden om de psychische pijn even te vergeten”, zegt Van der Noordaa. „Het grootste probleem is dat hier veel mensen zijn met psychische klachten, maar in zo’n kamp kunnen ze niet behandeld worden. Door de vlucht zijn ze al getraumatiseerd maar als ze hier lang blijven wordt dat natuurlijk steeds erger.”

Een dag later gooit een Afghaanse jongen benzine over zichzelf heen en steekt zijn shirt aan. Omstanders hebben de vlam uit zijn shirt kunnen slaan.

Na haar dienst in Moria, met de auto op de weg terug naar het huis waar de vrijwilligers van Stichting Bootvluchteling slapen, is Van der Noordaa heel stil. Hoe vond ze het gaan? „Al die verhalen die ik heb gehoord”, zucht ze. „Ze spelen zich achter elkaar af in mijn hoofd.”

Ze is weer even stil.

„Mijn beeld van een vluchteling was voordat ik hier kwam niet zo duidelijk. Deze mensen hadden allemaal mijn vrienden kunnen zijn”, zegt ze. „We kunnen zo weinig doen.”

De volgende dag wordt ze ziek wakker. „Koorts, hoofdpijn, keelpijn, geen energie. Iedereen die hier even rondloopt pikt dat op, ze noemen het de Moriaziekte.”

Met tegenzin moet ze een van haar diensten overslaan.

Marieke schrijft in haar dagboek. Zo probeert ze de dingen een plek te geven.
Foto Ans Brys
Marieke slaapt op een kamer met vijf andere vrouwen.
Foto Ans Brys
In de keuken van het huis is orde en discipline belangrijk, alle vrijwilligers moeten meehelpen met de keukentaken.
Foto Ans Brys
Het is 1:20 uur. Voordat Marieke gaat slapen bekijkt ze nog de sms’jes van haar vriend.
Foto Ans Brys

„Het ironische is dat ik net tegen mezelf zei dat ik zo graag in mijn eigen bed wil slapen”, zegt ze. „Maar ik kan tenminste onder een warme douche staan en überhaupt in een bed slapen. Al die patiënten die ik hier behandel gaan ziek hun gammele tent in. En ze kunnen niet warm douchen. Ze koken water in een pannetje en dat gooien ze bukkend in hun tent over zichzelf heen.”

Een paar dagen later post Van der Noordaa op haar Instagram een foto en tagt daarin het account van de Europese Commissie. Ze schrijft, in het Engels: „Dit is de vijfde dag dat we hier als artsen in de vluchtelingenkampen op Lesbos werken… De tenten lekken en aangezien hun kleren niet drogen lijden de migranten aan onderkoelingsverschijnselen… Onze middelen en mogelijkheden zijn zeer beperkt… Ook frustrerend is, dat veel van de omstandigheden te voorkomen zouden zijn… Als jullie de situatie hier zouden zien, dan zouden jullie het er mee eens zijn, dat het een schande is dat dit in Europa gebeurt. Do something @europeancommission.”

In de twee weken sinds Van der Noordaa op Lesbos werkte zijn in Moria een Egyptenaar (21), een Syriër (46) en Pakistaan (20) doodgegaan.