Column

Relatief arm

Bij Jinek ging het over de 400.000 kinderen die in Nederland in relatieve armoede leven. Een belangrijk onderwerp, waarvoor staatssecretaris Jetta Klijnsma en actrice Katja Schuurman waren aangeschoven. Klijnsma legde uit dat het Rijk er 100 miljoen euro per jaar voor heeft uitgetrokken, Schuurman is een van de BN’ers die bereid zijn de doelgroep te bereiken.

Wat is relatieve armoede? „Het is geen kwestie van honger”, zei Schuurman, „maar als je niet mee kunt op schoolreisjes, als je niet op een sportclub mag en als je verkeerde kleding draagt, kan dat leiden tot pesterijen en uitsluiting.”

Mijn vrouw zat instemmend te knikken. „Daar herken ik wel iets van”, zei ze na afloop. „Leg het even uit”, zei ik, „dan schrijf ik het op en hebben die kinderen er misschien ook nog iets aan.”

„Katja Schuurman verwoordde het goed”, zei ze. „We denken bij het woord ‘armoede’ meteen aan honger lijden, iets wat in Nederland niet zo gauw zal voorkomen, maar er kunnen voor een kind andere vervelende gevolgen zijn. Bij mij thuis hadden we het ook niet breed. Ik herinner me dat ik met de klas niet mee kon naar een voorstelling in de schouwburg. Voor mijn ouders was het te duur. Ik vond dat erg jammer en was dan ook opgelucht toen ik toch nog mee mocht in plaats van een meisje dat ziek was geworden. De blijdschap daarover ben ik nooit vergeten...”

„Maar maak er nou geen zielig verhaal van”, zei ze haastig (ze weet dat journalisten van zielige verhalen houden), „want zo heb ik mijn jeugd niet ondergaan. Ik heb een gelukkige jeugd gehad in een groot gezin. Er was geen armoede, maar er moest heel sober geleefd worden. Alles draaide om geld: wat was nodig, wat niet? Er werd sterk gelet op solide aankopen, de spullen moesten lang meegaan. Ik kreeg daarom bijvoorbeeld altijd Duifjes kinderschoenen, een goed merk… zegt jou dat nog wat?”

Ik schudde het hoofd en zei lachend: „Wij waren zó arm, we liepen altijd op blote voeten!”

„Mijn zus maakte vaak mijn kleren”, ging ze onverstoorbaar verder, „en ik kreeg ook wel mooie kleding van een familie die de kleren van hun dochters afstonden. Dat groene rokje en truitje van zachte stof, ik voel ze nóg op mijn lijf.

„Ik voelde me niet arm, maar beperkt in de mogelijkheden. Wij hadden geen telefoon en geen auto, ik kreeg laat een eigen fiets – zo’n vreselijke omafiets – en vakantie brachten we alleen bij familie door. Mijn moeder ging over het geld. Als ik de wekelijkse boodschappen deed bij de kruidenier, mocht ik niet meer dan een tientje besteden. Ging ik er ook maar een gulden boven, dan was ze chagrijnig. Mijn vader vond dat ik naar de middelbare school moest – dat is ook gebeurd – maar mijn moeder had liever de goedkopere mulo gekozen.

„Mijn schoolboeken werden door een fonds vergoed, daarvoor moest ik elk jaar mijn rapportcijfers laten zien – wat ik onprettig vond. Verder heb ik er niet onder geleden. Ik mocht op een gymclub, waar ik goed in was, en ik had leuke vriendinnen. Je besefte wel dat zij van een andere klasse waren, maar ze lieten me dat nooit merken.”

„Net als je moeder ga jij bij ons ook over het geld”, zei ik.

„Dat lijkt me wel zo verstandig”, knikte ze, „anders liep je nog steeds op blote voeten.”