Neurowetenschap is wapen tegen jeugdcriminaliteit

wetenschap en criminaliteit

Kunnen omega-vetzuren (onder meer aanwezig in visolie) antisociaal en agressief gedrag bij kinderen tegengaan?

Foto ANP

Kennis uit de neurowetenschap moet de aanpak van jeugdcriminaliteit in Nederland verbeteren. Dat schrijven onderzoekers van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum WDOC van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in een rapport dat donderdag naar de Tweede Kamer werd gestuurd.

Ze verkennen hierin de mogelijkheden om ook neurobiologische kenmerken te betrekken in het onderzoek en behandeling van jeugdige delinquenten. Tot nu toe is dit vrijwel volledig gebaseerd op psychologische en sociale modellen.

1Waar gaat het rapport precies over?

De onderzoekers beschrijven welke neurobiologische meetmethoden iets kunnen zeggen over de herhaling van crimineel gedrag en over het effect van therapie of straf. Dat kan mogelijk door het meten van de hartslag in rust, meten van het niveau van het stresshormoon cortisol in het speeksel of het mannelijk hormoon testosteron in het bloed. Ook kunnen hersenscans informatie geven, over structuur en werking van de hersenen. Verder zegt genetisch onderzoek mogelijk iets over aanleg voor afwijkend gedrag.

Daarnaast kan kennis uit de neurobiologie gebruikt worden om delinquenten te ondersteunen in gedragsverandering. Dat kan bijvoorbeeld met neuropsychologische trainingen, mindfulnesstraining, met het slikken van voedingssupplementen, de inzet van serious games, of monitoren van agitatie of stress met een polsband.

2 Dat klinkt nogal ingrijpend. Mag dit zo maar worden ingevoerd?

Ja. De Raad voor de Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming concludeerde een paar jaar geleden in een advies dat het ethisch gezien in principe niet relevant is of een nieuwe toepassing gebaseerd is op neurowetenschappelijk onderzoek dan wel op gangbare gedragswetenschap. Wel moet de bescherming van de verzamelde persoonsgegevens goed gegarandeerd worden.

3 Gaat het hier om het voorspellen van crimineel gedrag?

Nee, en dat kan ook niet puur op biologische kenmerken. Er is nog veel onzeker in dit vakgebied. Diverse onderzoeken vonden bijvoorbeeld een verband tussen crimineel gedrag en een lage hartslag in rust, maar dat wil nog niet zeggen dat dit een oorzakelijk verband is. Om die reden kan ook niet gesteld worden dat iedereen met een lage rusthartslag het risico loopt in de criminaliteit te raken. Hetzelfde geldt voor cortisol- en testosteronniveaus.

Zulke lichamelijke metingen zijn bovendien niet makkelijk gestandaardiseerd uit te voeren. Ze staan onder invloed van bijvoorbeeld het moment op de dag, voeding, roken etcetera.

Voor andere neurobiologische methoden is het wetenschappelijk bewijs nog dunner. Omega-vetzuren (onder meer aanwezig in visolie) zouden antisociaal en agressief gedrag bij kinderen tegengaan, omdat ze belangrijk zijn voor de ontwikkeling en functioneren van de hersenen. Langlopend onderzoek toonde aan dat het zo’n supplement na een jaar inderdaad een vermindering van agressie geeft bij willekeurig gekozen kinderen. Bij eerste proeven lijkt het ook te werken bij gevangenen, maar heel hard is dat nog niet aangetoond.

Een genetische test om te beoordelen of iemand criminele aanleg heeft is helemaal nog niet in beeld.

4 Hoeveel kans van slagen heeft een neurowetenschappelijke aanpak in de strafrechtketen?

In zijn aanbevelingsbrief aan de Tweede Kamer noemt staatssecretaris Klaas Dijkhoff de methoden ‘veelbelovend’. Maar het bewijs moet nog geleverd worden.

Inmiddels zijn er volgens Dijkhoff al enkele pilot-projecten gestart. Het gaat onder meer om het gebruik van een polsband die de drager feedback geeft van hartslag en huidgeleiding, gericht op het onder controle kunnen houden van agressie. De resultaten van deze pilots worden verwacht in de loop van 2018 en 2019.

5 Moet de strafmaat en strafsoort in de toekomst bepaald worden aan de hand van iemands biologische kenmerken?

Daar zijn hoogoplopende discussies over, maar dit rapport gaat daar niet over. De auteurs van het rapport beschrijven hoe jonge delinquenten een betere, op de persoon toegesneden behandeling kan worden aangeboden. Of hoe het effect van de behandeling beter te meten is.