Hongerwinter ’44-’45

Oorlogsherinnering

In de Tweede Wereldoorlog woonde schrijfster Simone Kramer op het Zuid-Hollandse platteland. Sommige dingen uit die tijd vergeet zij nooit, zoals de Hongerwinter van ’44-’45.

Op hongertocht met een zak eten op een kinderwagentje, tijdens de Hongerwinter van de Tweede Wereldoorlog, in 1944. Foto Spaarnestad Photo / Hollandse Hoogte

In de Tweede Wereldoorlog woonden mijn vader en moeder met acht kinderen plus mijn oude opa in een gehucht op het Zuid-Hollandse platteland. Mijn vader was de plaatselijke bovenmeester. In het langgerekte dorpje was dus een school. Verder was er een smid, een kruidenier, een melkboer en een groot aantal boerderijen.

Duitsers kwamen hier nauwelijks. Met al die weilanden en water, schuren en stallen was het een prima plek voor onderduikers en in de Hongerwinter van 1944-1945 kwamen er veel mensen uit de stad om bij de boeren om eten te vragen.

De school waaraan ons woonhuis lag, had van een afstand wel iets van een boerderij, dus klopten de mensen op hun hongertochten ook vaak bij ons aan. Mijn moeder kon geen ‘nee’ zeggen en deelde van haar schaarse voorraad uit. Maar halverwege de strenge winter was ook voor ons de koek op. De kruidenierswinkel was leeg en bij de melkboer hoefde ook niemand meer aan te komen. De toestand werd nijpend. Althans bij ons thuis. Niet op de boerderijen.

De boeren hadden hun koeien, hun stukjes bouwland: melk, kaas, aardappelen en ingemaakte groenten. Niemand van hen kwam op het idee om te vragen of wij nog wel te eten hadden en mijn vader was te trots om erom te vragen. Zuid-Hollandse boeren waren in die tijd ook niet het meest gulle mensensoort dat er bestond.

Twee volwassenen, acht kinderen in de groei en een demente opa die de hele dag om eten vroeg… De situatie veranderde van nijpend in wanhopig.

Toen greep mijn moeder in. Ze trok haar jas aan en glibberde door de sneeuw naar de dichtstbijzijnde boerderij. Daar deed ze haar verhaal. De volgende boerderij bezocht ze ook nog en vanaf die plek deden de geruchten hun werk. ‘De meester heeft geen eten meer!’

De volgende dag draaide een arrenslee met twee paarden het schoolplein op. Op de bok zat de voorzitter van het schoolbestuur en de slee zelf was helemaal afgeladen met voedsel. Brood, meel, boter, melk, aardappels, boerenkool, eieren en nog veel meer. Mijn broer en zusjes stonden met open mond te kijken, mijn moeder barstte in tranen uit en ikzelf, als kleinste, geloofde vanaf dat moment in sprookjes.

‘De meester’ had voorlopig te eten. Hoe lang we met die voorraad hebben gedaan, weet ik niet meer. Maar het verhaal is gebleven.