Recensie

Een weidse blik op het platte vlak

David Hockney en Martin Gayford

Kunstenaar en kunstcriticus bespreken grondig de vele typen tweedimensionale afbeeldingen van de drie dimensionale wereld, van grottekening tot smartphone. En ze stellen daarbij veel aan de orde.

David Hockney in 1988 Foto David Montgomery/Getty Images

Altijd en overal hebben mensen tweedimensionale afbeeldingen gemaakt van de driedimensionale wereld om hen heen; op het platte vlak van een rotswand, op perkament, papier, schildersdoek, filmscherm en smartphone. Er zijn vele geschiedenissen geschreven van de schilderkunst, de fotografie of de film, maar niet van alles bij elkaar.

David Hockney en Martin Gayford hebben dat nu wél gedaan. Hockney is zijn hele leven al geïnteresseerd in hoe we kijken en wat we zien, hoe de driedimensionale wereld op een plat vlak kan worden weergegeven. Hij brengt zijn zeventig jaren van ervaring in tekenen, schilderen en experimenteren in; kunstcriticus Gayford zijn brede kennis en scherpe blik. Elk werk dat ter sprake komt is prachtig afgebeeld.

Het boek opent met een mooie definitie: ‘A picture is an account of looking at something’. Een afbeelding is met andere woorden altijd een persoonlijke weergave van de werkelijkheid. Sommige afbeeldingen zijn onvergetelijk, terwijl ze wonderlijk genoeg niet iets bijzonders tonen. Hoe kan dat?

Uiteenlopende onderwerpen passeren de revue. Bijvoorbeeld belichting. Die was voor Caravaggio (1573-1610) net zo belangrijk als voor een filmregisseur vandaag. Hoe belicht je het onderwerp – met één of meerlichtbronnen – zodat het de juiste sfeer oproept en maximaal effect sorteert?

De heren brainstormen over de afwezigheid van schaduwen in de Oosterse kunst en juist het belang ervan in het Westen. Daarbij gaat het onder meer over de schaduwen op de wang van de Mona Lisa en over de verschillende technische hulpmiddelen die werden ontworpen om schaduwen van mensen om te zetten in silhouet-portretten.

Een telkens terugkerend punt is dat afbeeldingen ons dingen als het ware openbaren: als iets eenmaal is afgebeeld, is het daardoor voor iedereen gemakkelijker om het zelf ook te zien.

Schaduw

Hockney en Gayford beargumenteren dat er niet zoiets bestaat als de juiste weergave van het perspectief. De Chinese schilderkunst is gebaseerd op een steeds bewegend gezichtspunt, zodat de toeschouwer mentaal door het schilderij kan reizen. Het beroemde lineaire perspectief dat architect Filippo Brunelleschi in 1413 beschreef, is maar een van de manieren waarop we de werkelijkheid om ons heen op het platte vlak kunnen afbeelden. Het isometrisch perspectief is net zo legitiem, evenals de kubistische manier om een ruimtelijke ervaring weer te geven.

En dit is nog maar een kleine greep uit de onderwerpen die Hockney en Gayford behandelen. Ze belichten net zo goed hoe je met schaduw en/of kleur de illusie van volume en ruimte kunt scheppen. Hoe je door het horizontaal naast elkaar plaatsen van figuren een element van tijd, van verhaal kunt introduceren. Ze beargumenteren ook waarom een schilderij van Edward Hopper indringender is dan een vergelijkbaar doek van Norman Rockwell. Wat maakt een afbeelding memorabel? Wat maakt een potloodlijn of verfstreek interessant?

Het is deze heren wel toevertrouwd om op afbeeldingen te reflecteren zonder de lezer te bedelven onder geëxalteerd en oeverloos kunsthistorisch geleuter. Een prachtig voorbeeld is de uitvoerige uiteenzetting die Hockney (1937) wijdt aan een penseeltekeningtje van Rembrandt, waarin hij glashelder ingaat op lijnvoering, compositie, onderwerp en expressie.

Lenzen en spiegels

De rode draad in het boek is een vervolg op wat Hockney eerder schreef in Secret Knowledge (2001). Lenzen en spiegels gaven naar zijn zeggen al zeker vier eeuwen eerder dan het eerste fototoestel tweedimensionale afbeeldingen van de wereld te zien. De camera obscura, de Claudespiegel, de camera lucida, Alberti’s raam: het zijn maar een paar van de instrumenten die schilders gebruikten om taferelen op het platte vlak te vangen.

Hockney en Gayford beschrijven ook hoe die optische hulpmiddelen het werk van schilders hebben beïnvloed. Aan de hand van lijnvoering, compositie, detaillering, schaduwen en geschreven bronnen demonstreren ze hoe Caravaggio ze gebruikte om zijn figuren een voor een in zijn schilderijen te projecteren; Vermeer om de hooglichten en de vage begrenzingen weer te geven; en Ingres om de kenmerkende trekken van een gezicht snel vast te leggen.

Het gebruik van de optische hulpmiddelen verklaart natuurlijk niet de magie van het scheppen. De auteurs halen instemmend een citaat uit 1830 aan: ‘Laat niemand denken dat hij kan leren tekenen door een camera lucida te kopen. Dan zou je ook kunnen leren musiceren louter door een viool te kopen.’

Sterker nog, juist omdat het gebruik van die optische instrumenten zo lastig was, werd fotograaf William Henry Fox Talbot (1800-1877) gestimuleerd om het geprojecteerde beeld van de camera obscura vast te leggen met chemicaliën in plaats van met zijn eigen hand. Vier eeuwen na de eerste geprojecteerde beelden lukte dat eindelijk.

De fascinerende dans van schilderkunst en fotografie – en film – komt eveneens uitvoerig aan bod. Schilderkunst en optische afbeeldingen zijn al honderden jaren met elkaar verweven, maar gingen in de eerste helft van de 20ste eeuw verschillende kanten op. De komst van de fotografie voerde de Europeanen naar abstractie. In China, waar geen lenzen waren, ontbrak die behoefte.

Maar abstractie heeft de toekomst niet. Schilderkunst en fotografie vervloeien vaak in deze tijd. Digitale foto’s kunnen worden uitgeknipt, aan elkaar geplakt en veranderd van kleur. Je kunt nu schilderen met foto’s. Een mooi moment kortom voor het verschijnen van een brede geschiedenis van de afbeelding in zijn vele verschijningsvormen.

Van 9 februari t/m 29 mei is in Londen in de Tate Britain een overzicht van het werk van Hockney te zien. Inl.: tate.org.uk.