Recensie

Een kleine kei per ijstijd hier gebracht

T. van Deel

Meestal ontleent de dichter T. van Deel zijn vluchtige beelden aan de natuur. In zijn nieuwe bundel lijkt hij zich vooral op zijn eigen werk te bezinnen. Ook zijn keiencollectie duikt op.

Foto’s ISTOCK

Hoe onrechtvaardig kan een bloemlezer zijn? In zijn anthologie van de Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw plaatste Ilja Leonard Pfeijffer één vers van T. van Deel (1945). ‘Present’ heet het, maar hoe aanwezig is de dichter hiermee in Pfeijffers canon? Het is een uiterst anekdotisch gedicht, dat bovendien in de studentikoze hoek wordt gezet doordat Pfeijffer het uit een bloemlezing van Propria Cures overnam. Dat is op z’n minst onzorgvuldig, want de bloemlezing verscheen in 1972, terwijl het gedicht drie jaar eerder al in Van Deels debuutbundel Strafwerk verscheen.

Hoe erg is dit? Het zet vraagtekens bij de vermeende autoriteit van de bloemlezer. Of misbruikte Pfeijffer zijn anthologische macht door moedwillig vijftig jaar ontwikkeling in het oeuvre van Van Deel te ontkennen? Sinds Strafwerk verschenen nog zeven andere bundels. Daarin is de simpele anekdote mettertijd vervangen door verstilde bespiegeling. De beelden die Van Deel daarvoor kiest zijn meestal aan de natuur ontleend. En ze zijn vaak vluchtig, want zoals Rutger Kopland het treffend uitdrukte: ‘welk taalnet hij ook uitgooit, hij laat altijd zien dat hij niets heeft gevangen.’

Met die genre-opvatting vind je bescheiden juweeltjes, zoals het gedicht ‘Handen’:

Je handen, hoe ze tot een vaas zich vouwen

onder je kin, op lepelaars lijken, licht en

buigzaam overvliegend. Handen die alleen

van jou zijn, aandachtig de liefde winnen van

wie van ze houdt, wat ze aangrijpen, de vulpen

de brief en het mes. Waar zijn ze anders voor

dan om de wereld te laten weten wie je bent.

Het meest je handen zijn je handen als ik

soms die wereld ben en dat voel.

Het staat in Van Deels nieuwe bundel, Herfsttijloos. De poëzie daarin lijkt minder verrassend dan in Nu het nog licht is (1998) en Boven de koude steen (2007), maar dat is kennelijk doelbewust. De dichter lijkt zich vooral ook op zijn eigen werk te bezinnen. Vijf gedichten in Herfsttijloos stonden in eerdere bundels. Dat Van Deel ze opnieuw opnam heeft een klinkklare reden: elk ervan gaat nu vergezeld van een variant. Zo werpt het tweelingzusje van het titelgedicht een hernieuwde blik op de Colchicum autumnale (hersttijloos) met zijn krokusachtige bloemen. De in de vorige bundel getoonde fascinatie blijkt negen jaar later nog even intens. ‘De bloei is tomeloos,’ constateert Van Deel en vindt dan een vergelijking elders in de natuur: ‘alsof een nest vol vogels de snavels luid / en levenswijd onstuitbaar houdt gesperd.’

In de ‘doublures’ van ‘Diorama’, ‘Ogengneis’ en ‘Tulpen’ doet de dichter eveneens herhaalde zetten. Het gedicht over de ogengneis (een veldspaathoudend gesteente) wordt nog voorafgegaan door drie andere steengedichten, waarmee Van Deels keiencollectie ruimschoots is vertegenwoordigd. Ook hier heeft zijn oeuvre het karakter van een natuurminnend jongensboek. En opnieuw wordt, zoals in veel van zijn verzen, liefdevol gefluisterd. ‘Ik heb’, murmelt hij over de schriftgraniet, ‘een kleine / kei, per ijstijd hier gebracht, die / zijn geheimen nooit zal prijsgeven.’

Vergankelijkheid speelt in Van Deels dichtwerk vanouds een belangrijke rol. Soms is hij ook zelf slachtoffer van tijdelijkheid – al weet hij het lot ook dan te relativeren. Op Marken stond een gedicht over de ansjovis van hem op een muur. Die ‘Ballade van de ansjovis’ staat nu weer in Herfsttijloos, vergezeld van een vers dat ‘Historie’ heeft. Dat beschrijft hoe het gedicht op Marken door een storm van de muur is gevallen: ‘gestort in duigen / waarvan een brokstuk mij werd / toegestuurd. Ik lees daar ‘st’/ het einde van ‘geweest’- dit / blijft ten minste, vooralsnog.’

Vooralsnog blijven – hoe blijvend is dat? In zijn vorige bundel, Boven de koude steen, was vergankelijkheid het hoofdthema. In Herfsttijloos is dat niet minder het geval. Het gedicht ‘Mettertijd’ biedt een heldere bespiegeling van ons ‘onhoudbaar’ verdwijnen. Maar beter nog, want subtieler, ‘verwoordt Van Deel in ‘Psalm’ het ‘panta rhei’ naar de vergetelheid.

Kijk naar de bergen, zie dat daar

vandaan je hulp niet zal komen.

Het zijn juist de rivieren die ons

achteloos meenemen langs lieflijke

wrede oevers en eindelijk brengen

naar de alles omspoelende zee.

Zo weinig woorden zijn nodig om alles te zeggen. Van Deel is een meester in dit vertoon van maximale minima. Zijn regelval is soms weerbarstig en zijn verzen laten zich niet zingen. Het is ook geen klankpoëzie; daarvoor is Van Deel te zeer op zoek naar verstilling, of zelfs verstening. Tot de vuursteen bijvoorbeeld, die in het gelijknamige gedicht aanspoort tot onderzoek. ‘Je zult je,’ zegt ze, ‘veel moeten afvragen / misschien zelfs een stuk van mij / afslaan om pas in het breukvlak / mijn binnenste te lezen.’