Recensie

Een foute kunstenaar, hij overrompelt wel

Werner Tübke excelleerde in allerlei genres, van portretten tot veldslagen. De tentoonstelling in Zwolle laat zien dat hij een virtuoze schilder was.

Werner Tübke, Portret van een Siciliaanse grootgrondbezitter met marionetten, 1972 Galerie Neue Meister, Staatliche Kunstsammlungen Dresden

Als het criterium voor een ‘foute’ kunstenaar is dat hij werk heeft gemaakt in opdracht van een totalitaire staat, dan is de Duitse schilder Werner Tübke (1929-2004) beslist fout. Een groot deel van zijn leven werkte hij in opdracht van het communistische regime van de DDR.

En hoewel hij in de jaren vijftig en zestig herhaaldelijk in moeilijkheden kwam doordat zijn schilderijen inhoudelijk en stilistisch te zeer afweken van het door de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands verlangde socialistisch realisme, groeide hij uit tot een van de belangrijkste schilders van de DDR. Van 1976 tot 1987 werkte hij aan een panorama over de Duitse Boerenoorlog (1525-1526) in Bad Frankenhausen. Met een oppervlak van 1.722 vierkante meter is dit een van de grootste olieverfschilderingen ter wereld.

Virtuoze schilder

Maar foute kunstenaars zijn niet altijd ook slechte kunstenaars, zo bewijst de tentoonstelling Werner Tübke. Meesterschilder tussen Oost en West in De Fundatie in Zwolle, het eerste grote – en overrompelende – overzicht van het werk van Tübke buiten Duitsland. Tübke, wiens werk in Nederland vrijwel onbekend is, blijkt een virtuoze schilder, die excelleerde in allerlei genres, van portretten tot veldslagen. Ook beheerste hij vele stijlen, zo is te zien op de tentoonstelling, die deel uitmaakt van een reeks waarmee Fundatie-directeur Ralph Keuning de relatie tussen kunst, staat en ideologieën wil belichten.

Zo doet Studente uit 1956 denken aan een Picasso in zijn roze periode. In andere schilderijen leunt Tübke op de stijl van Otto Dix en Georg Grosz of duiken elementen op die herinneren aan de bouwwerken die Giorgio de Chirico schilderde. Ook vallen er talrijke thematische en stilistische citaten te ontdekken uit het werk van 15de- en 16de-eeuwse schilders als Rafael, Michelangelo, Breughel en Jeroen Bosch.

Het is niet moeilijk te zien waarom Tübke twee keer werd ontslagen als docent aan de Grafische Hogeschool in Leipzig. Zijn postmoderne supereclecticisme lijkt zelden op het brave, gestandaardiseerde socialistisch realisme dat de Sovjet-Unie naar de DDR had geëxporteerd. Veel van zijn schilderijen zijn eerder surrealistisch dan socialistisch realistisch: geen van optimisme blakende taferelen, maar juist unheimliche weergaven van gebeurtenissen uit de geschiedenis.

Magnum opus

Ook smokkelde Tübke allerlei christelijke thema’s en onderwerpen zijn werken binnen. Zo is Het einde van de narrenrechtspraak uit 1978 een variatie op Christus aan het kruis met Maria en heiligen, waarin in plaats van Jezus een nar aan het kruis hangt en een treurende Maria niet in het blauw, maar in het rood gehuld gaat.

Anderzijds is het verbazend dat Tübke uiteindelijk zijn magnum opus, het panorama in Bad Frankenhaus, heeft kunnen maken. Op de tentoonstelling hangt een foto van partijleider Erich Honecker, die in het bijzijn van de kunstenaar de gedetailleerde voorstudie inspecteert, waar Tübke drie jaar aan had gewerkt. Honecker kijkt bedenkelijk, maar toch mocht Tübke zijn studies in het panorama tien keer zo groot uitvoeren.

Volgens de marxistisch-leninistische heilsleer was de Duitse Boerenoorlog als voorloper van de socialistische revoluties in de 20ste eeuw een stap voorwaarts in de ‘dialectische’ ontwikkeling van de geschiedenis. Maar Tübke heeft de oorlog weergegeven als een Vier Jaargetijden, zo is te zien op de vier voorstudies op panelen die in de blobvormige uitbreiding op het dak van De Fundatie aan een dertien meter lange muur hangen.

Het panorama begint met de winter, waarin flink gemoord en gemarteld wordt. In het voorjaar gaan de moordpartijen over in een oorlog, met een gigantische veldslag die in de zomer plaatsvindt. Het panorama, dat sterk doet denken aan een weergave van de Dag des Oordeels, eindigt met de herfst, die net zo donker is als de winter en waar ook weer net zo veel gemoord en gemarteld wordt.

Vooruitgang bestaat niet, is de sombere, onmarxistische boodschap van het panorama, de geschiedenis is een eeuwige terugkeer van hetzelfde.