Recensie

Deze wereld moet wel tot rampen leiden

Intellectueel debat

Rond 1900 kwam een gezelschap idealisten in het geweer tegen de materialistische samenleving en de ‘geestloze’ kunst. Ze bepleitten het ‘ware leven’, maar in de jaren dertig deed de politiek zijn intrede.

Johan Huizinga, jaartal onbekend. Foto archivio Giovannetti/effigie/HH

Er wordt nogal eens geklaagd dat Nederland zo weinig publieke intellectuelen heeft gehad, auteurs die hun eruditie en kritisch vermogen inzetten in het maatschappelijke en politieke debat. In werkelijkheid zijn er tal van zulke intellectuelen geweest, maar krijgen ze weinig aandacht. Bovendien concentreert de aandacht zich meestal op een handjevol auteurs. Wie kent bijvoorbeeld nog Dirk Coster (1887-1956)? Deze essayist en criticus was in de jaren twintig zeer vermaard, maar werd door een van de weinige vooroorlogse intellectuelen die nog wel bekend is, E. du Perron, in het tijdschrift Forum weggezet als een kwezelachtige vertegenwoordiger van een wee soort humanisme, dat bovendien aan de man werd gebracht in slap en potsierlijk proza.

Hoewel Du Perron (1899-1940) later heeft toegegeven dat zijn aanval niet helemaal fair was, en dat zijn slachtoffer een bondgenoot was in de strijd tegen het fascisme, zijn Coster en diens tijdschrift De Stem sindsdien niet meer echt serieus genomen. De ‘humanitaire’ beweging waarvan zij deel uitmaakten, wordt gezien als een wereldvreemde club van halfzachte idealisten die niet waren opgewassen tegen het ruige politieke en geestelijke klimaat van het interbellum.

Historica Marjet Brolsma maakt echter in haar proefschrift ‘Het humanitaire moment’, niet alleen duidelijk dat Du Perrons aanval op Coster onterecht was, maar ook dat de beweging waartoe hij behoorde wel degelijk aandacht verdient.

Burgerlijke samenleving

Brolsma’s dissertatie concentreert zich op idealistische bewegingen in Nederland tussen 1914 en 1930. Tegen het einde van de negentiende eeuw was er onder kunstenaars, schrijvers en intellectuelen steeds meer kritiek op de burgerlijke samenleving ontstaan. Deze zou eenzijdig rationalistisch en materialistisch zijn, geestloze kunst voortbrengen en het ‘ware leven’ verstikken. Rond 1900 uitte dit onbehagen zich in een bonte verzameling wereldverbeteraars, vegetariërs, geheelonthouders, christen-anarchisten, pleitbezorgers voor alternatieve opvoedingsmethoden en andere idealisten. In Nederland was Frederik van Eeden met zijn landbouwcommune Walden het bekendste voorbeeld. Nadat die op een fiasco was uitgelopen, richtte Van Eeden zich meer op een spirituele regeneratie, die geleid moest worden door een internationaal verbond van ‘koninklijken van geest’. Tot deze zogenoemde Forte Kreis, die in juni 1914 voor het eerst bijeenkwam, behoorden onder anderen de joodse denker Martin Buber, de industrieel en intellectueel Walther Rathenau, de expressionistische dichter Theodor Däubler en de Nederlandse sinoloog Henri Borel.

Inspiratiebronnen waren onder anderen Nietzsche en de zogenoemde ‘levensfilosofie’

De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten en betekende sowieso een brute verstoring van de humanitaire idealen van veel wereldverbeteraars. Tegelijkertijd zagen zij in de oorlog de bevestiging van hun oordeel dat deze kille, harteloze maatschappij wel tot rampen moest leiden.

Van Eeden deed als redacteur van het weekblad De Amsterdammer pogingen het gesprek tussen intellectuelen uit de oorlogvoerende landen op gang te houden, en ook anderen probeerden het begrip tussen de volken te bevorderen. Zo werden in 1916 de Internationale School voor Wijsbegeerte en de vereniging De Nieuwe Gedachte opgericht. De nog altijd bestaande ISVW wilde een internationale ontmoetingsplaats zijn, om vanuit de filosofie oplossingen aan te dragen voor de politieke en maatschappelijke fragmentatie, terwijl de Nieuwe Gedachte een religieus humanisme propageerde. Beide organisaties trokken vooral in de jaren twintig veel belangstellenden, wat ook gold voor de bijeenkomsten van de religieus-socialistische Woodbrookers, met Willem Banning als onbetwiste leider.

Daarnaast waren er uiteenlopende tijdschriften en individuele auteurs die kritiek leverden op het liberale kapitalisme, het materialistische marxisme en het orthodoxe christendom dat door de verschillende ‘zuilen’ werd uitgedragen. Inspiratiebronnen waren onder anderen Nietzsche en de zogenoemde ‘levensfilosofie’, de Indiase goeroe Jiddu Krishnamurti en diens dichtende landgenoot Rabindranath Tagore. Ook de romans van Dostojevski waren populair, omdat diens verkenning van ‘de Russische ziel’ werd gezien als een mogelijk alternatief voor het rationalistische westerse denken.

Toen in de jaren dertig het politieke en economische klimaat veel guurder werd en totalitaire bewegingen als het fascisme en communisme steeds meer als een bedreiging werden ervaren, verloor deze beweging een deel van haar aantrekkingskracht. Mede hierdoor gingen sommige intellectuelen zich meer met politiek bemoeien. Dit gold onder anderen voor Banning (1888-1971), die binnen de SDAP aan invloed won en er in belangrijke mate verantwoordelijk voor was dat deze partij het marxisme overboord zette en zich ontwikkelde tot democratisch-socialistische volkspartij.

Huizinga leverde weliswaar kritiek op de opkomst van de massamaatschappij, maar hij maakte ook dat de burgerlijke cultuur verdedigd moest worden

Was kritiek op de liberaal-kapitalistische maatschappij in de jaren twintig nog aantrekkelijk, en leek optimisme over een mooiere, menselijker toekomst nog verantwoord, in de jaren dertig werd de verdediging van de burgerlijke samenleving zeer urgent. Vandaar dat een boek als In de schaduwen van morgen (1935), van de beroemde historicus Johan Huizinga, een bestseller werd.

Huizinga leverde hierin weliswaar kritiek op het vervagend normbesef, de opkomst van de massamaatschappij, de vervlakking van de cultuur, de daling van het onderwijspeil, en de verheerlijking van vitalisme en extase, maar hij maakte ook duidelijk dat de burgerlijke cultuur verdedigd kon en moest worden tegen de oprukkende barbarij.

Over Huizinga (1872-1945) als historicus, cultuurdrager en auteur is al veel geschreven, maar in Johan Huizinga en de bezeten wereld gaat Carla du Pree vooral in op zijn rol als publieke intellectueel, die stelling nam tegen cultuurverval en opkomend fascisme. Ze doet dat onder meer door aandacht te besteden aan het debat over de moderniteit, de intellectuele en maatschappelijke infrastructuur waarbinnen Huizinga optrad, en door te kijken hoe hij zijn gezaghebbende positie had verworven. Ook besteedt ze aandacht aan de reacties op Huizinga’s cultuurkritiek.

Fascisme

Anders dan in het boek van Brolsma blijft het bredere intellectuele debat echter tamelijk vaag en laat Du Pree, die op deze studie promoveerde, nogal wat relevante literatuur buiten beschouwing. Vooral over de wijze waarop in Nederland in deze jaren het fascisme werd geanalyseerd en beoordeeld, valt meer te zeggen dan hier gedaan wordt, waardoor de bijdrage van Huizinga aan dit debat niet echt uit de verf komt. Ook krijgen critici en bewonderaars van Huizinga weinig reliëf, terwijl de vergelijking met soortgelijke debatten elders heel summier blijft. Zo beperkt bijvoorbeeld de paragraaf over Huizinga’s positie ‘in Europees perspectief’ zich volledig tot een vergelijking met het werk van José Ortega y Gasset, terwijl veel meer aandacht voor auteurs als Paul Valéry, Julien Benda, Thomas Mann, T.S. Eliot verhelderend had kunnen zijn.