Recensie

‘Butterfly’ als bunrakupop is briljant dubbelzinnig

De Deense regisseur Kirsten Dehlholm, wars van psychologisch realisme, heeft een briljante constructie opgetuigd, zonder het werk geweld aan te doen.

Scène uit Madama Butterfly door De Muntopera, Brussel Foto Baus

Japan was hot, rond 1900. In Puccini’s Madama Butterfly (1904) trouwt een piepjonge geisha met een Amerikaanse marinier – succes verzekerd, zou je zeggen. Toch begon Butterfly als flop. De topklassering in het repertoire volgde pas na ingrijpende revisies.

Bij De Munt is de opera weer opgedeeld in twee (en niet drie) aktes, zoals Puccini oorspronkelijk wou. Na het lange liefdesduet tussen Butterfly en Pinkerton en diens vertrek valt er een stilte en begint het wachten. Die ingevoegde zwijgende scene is van grote schoonheid: tien bonte origami- pilaren vullen het podium, en daartussen draaien een oude en een jonge Butterfly om elkaar heen.

Nog voor de pauze klinkt vervolgens de aria Un bel dì vedremo.

De oude Butterfly (Amanda Echalaz) bevindt zich voortdurend op het proscenium. De hele voorstelling is haar herinnering: omdat ze zelfmoord heeft gepleegd (op haar achttiende al) is ze gedoemd haar leven doorlopend te herhalen. Echalaz heeft een groots geluid, en hoewel de hoge emotionele intensiteit soms ten koste ging van afwerking en precisie, gaf ze Butterfly fantastisch gestalte.

De jonge Butterfly, die het drama ondergaat, is een pop, geïnspireerd op het bunraku-theater. Ze wordt door drie spelers prachtig tot leven gewekt. Terwijl de oude Butterfly haar verdriet herbeleeft, blijft de pop geloven in de terugkeer van Pinkerton. Wanneer hij daadwerkelijk komt – maar met zijn ‘Amerikaanse vrouw’, en niet vanwege Butterfly maar om hun zoon mee te nemen – is het de pop die de hand aan zichzelf slaat.

De Deense regisseur Kirsten Dehlholm, wars van psychologisch realisme, heeft op deze manier een briljante, dubbelzinnige constructie opgetuigd. En dat zonder het werk geweld aan te doen. Het schaamteloze exotisme van libretto en muziek (Puccini weefde Japanse melodieën door zijn partituur) krijgt bezonken tegenwicht. De verregaande stilering van spel en toneelbeeld en de uitbundige kleurcodes doen sterk denken aan Japans theater en de persoonsregie is effectief uitgebeend. Desondanks blijft het nadrukkelijk opera én zit er subtiele humor bij. Zowel grappig als aangrijpend is de keuze het kind te verbeelden met een matrozenpopje.

Specialist Brignoli maakt een uitstekend Muntdebuut. Hij volgt de gemoedsbewegingen van de muziek nauwgezet en zorgt voor krachtig contrast met het gestileerde toneelbeeld. Sopraan Ning Suzuki imponeert als bediende Suzuki. Tenor Leonardo Caimi is een getormenteerd-lyrische Pinkerton, al moet hij hard werken voor zijn topnoten.