Column

Respect

Het park leek leeg, op die ene zwarte man na die zich midden op mijn pad had opgesteld. Hij keek beurtelings over zijn schouder en naar mij en slaakte daarbij luide, onverstaanbare kreten. Het was aan het einde van de morgen, er hing vorst in de lucht en de wind was scherp.

De man was nog een meter of twintig van mij verwijderd. Hij wachtte, duidelijk geïnteresseerd, af wat ik zou doen. Ik had enkele opties. Ik kon me omdraaien en het ruime park kiezen, ik kon een paadje naar links inslaan dat dicht bij hem begon en ik kon naar hem doorlopen. Dat overwoog ik terwijl ik langzaam verder in zijn richting liep, want stilstaan was in ieder geval geen oplossing.

Hij zwaaide lichtjes op zijn benen terwijl hij in de verte wees. Ik kon hem nu ook enigszins verstaan.

„Moet je kijken”, riep hij, „die mensen daar … ze zijn bang voor mij … is dat niet raar … is dat niet zielig …?”

Ik zag aan de rand van het park een groepje mensen dat snel uit het zicht verdween. „Er was een jongetje bij dat enorm van mij schrok. Toen gingen ze er vandoor”, zei de man, op wat rustiger toon.

Ik was dicht bij hem en probeerde in een bochtje om hem heen te lopen, maar hij belette me dat door zich half voor me op te stellen. Hij raakte met zijn hand even mijn mouw, maar hij hield me niet vast. Het was een grote, stevige man van een jaar of dertig met een regelmatig gezicht.

„Ik begrijp die mensen niet”, zei hij met Surinaamse tongval, „wat denken ze wel … dat ik hun vermoord?” Hij keek me doordringend aan. „U gaat er toch ook niet vandoor?”

Nog niet, dacht ik, maar misschien zou ik er spijt van krijgen. Het was een onbehaaglijke situatie, al vond ik enige geruststelling in zijn ogen: die glansden vriendelijk en vrolijk.

„De mensen moeten niet bang voor mij zijn”, zei hij, „ik ben alleen maar bezopen.”

Ik rook niets, maar misschien had hij louter wodka gedronken. „Ach”, zei ik, „dronken zijn we allemaal weleens, ik ook.” Lang geleden, maar dat zei ik er niet bij.

„Nee”, zei hij, „niet dronken … ik ben bezópen … bezópen.”

Zijn taalgevoel had hem nog niet in de steek gelaten – een bemoedigend teken. Nu niet arrogant doen, dacht ik, mijn zwakke kanten laten zien, dat kon nooit kwaad. „Drank blijft een verleidelijk iets”, zei ik, „als je ervoor in de stemming bent.”

„Ik heb de hele nacht door gezópen … gezópen”, zei hij. Hij ging steeds zachter praten en wees weer in de verte, waar het gevluchte groepje niet meer te zien was. „Ik vind de mensen zo raar … zo raar … je kunt toch gewoon met mij praten?”

„De mensen hebben zo hun angsten”, zei ik, „daar moet u verder maar niet over inzitten.”

Er gleed een lachje over zijn gezicht. Hij wierp zijn hoofd in zijn nek en riep: „Ik vraag alleen maar …”

Nu komt de geldvraag, dacht ik, hoeveel heb ik bij me?

„Res-péct”, zei hij, „res-péct.”

„Mijn respect heeft u”, zei ik gul, „maar nu moet ik weer dóór.” En ik wees op mijn horloge.

Met een brede lach liet hij me gaan.