Opinie

Rutte doet als een Ayatollah: dicteren wat normaal is

Abnormaal kunnen doen, dat is nu precies een van de pijlers van onze samenleving, meent . Bijzonder dat een liberale premier daar afstand van neemt.

Minister-president Rutte in een Haagse koffiezaak. Foto ANP / Robin van Lonkhuijsen


In de aanloop naar de verkiezingen heeft de VVD het waardendebat weer opengegooid. Al op 3 september nam minister Schippers de aftrap met haar H.J. Schoo-lezing, toen zij zich uitsprak voor de “Nederlandse cultuur”, die zij in vele opzichten beter vindt dan die in andere landen. Premier Rutte borduurde daarop voort in zijn ‘brief’ van 23 januari waarin hij het navolgen van deze cultuur bestempelde als “normaal doen”.

Het waarden- en normendebat heeft daarmee een interessante, en naar mijn mening zorgelijke, wending genomen. Deze wending is niet nieuw, want dateert uit de tijd toen er nog volop werd gesproken over de noodzaak van integratie door met name moslims.

Lang is geworsteld met de vraag wat wij bedoelen met integratie. Was het voldoende om de taal te spreken en het Nederlandse systeem voldoende te kennen om de kansen te benutten die zich voordeden? Of moesten deze mensen ook doordrongen zijn van de Nederlandse waarden, en deze ook omarmen?

Dat leverde de volgende vraag op: welke waarden bedoelen we? In Nederland heeft de regering daar in de afgelopen vijftien jaar herhaaldelijk antwoord op gegeven. De Nederlandse waarden zijn die van vrijheden, rechtsstaat en democratie. Solidariteit wordt ook vaak genoemd.

De Europese Conventie, de ‘grondwet’ van de Europese Unie, laat zich in gelijke bewoordingen uit: de Europese waarden zijn die welke ten grondslag liggen aan het humanisme, namelijk “gelijkheid van alle mensen, vrijheid en eerbied voor de rede”. Ook andere West-Europese regeringen hebben zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten.

Dit noem ik politiek-juridische waarden. Deze zijn historisch bevochten, en vastgelegd in grondwetten en verdragen. Deze waarden geven ons de mogelijkheid om te zijn wie we willen zijn, om ons vrijelijk te ontwikkelen. Ze geven de ruimte om onze persoonlijke, seksuele, religieuze, politieke en culturele voorkeuren na te leven en te uiten. Allemaal binnen de grenzen van de wet, natuurlijk. Maar je mag je eigen sm-kelder hebben, je mag met drie mensen tegelijkertijd een seksuele relatie hebben, je mag gekke kapsels en kleren dragen, je mag een ‘huwelijk’ sluiten door naakt om een boom te dansen. Maar, nogmaals, binnen de grenzen van de wet: dus niet met minderjarigen, en niet met geweld, en niet door inbreuk te maken op rechten van anderen.

Juist moslims koesteren de Grondwet

Personages als Anton Heyboer met zijn vier vrouwen, programma’s als Spuiten en Slikken, de krakers uit de tachtiger jaren met hun slogan ‘Jullie rechtsstaat is de onze niet!’ zijn allemaal uitingen van deze vrijheid. Dat geldt ook voor de vele joodse en christelijke gemeenschappen in Nederland die de ruimte hebben om hun – in de ogen van anderen – eigenaardige levenswandel vorm te geven.

De suggestie wordt nu vaak gewekt dat moslims een probleem zouden hebben met deze waarden. Dat werd indringend weergegeven door een gesprek dat toenmalig VVD-politica Hirsi Ali had met islamitische jongeren, waarbij ze hen de vraag stelde: “Waar kies je voor, de Koran of de Grondwet?” Het interessante is nu dat moslims deze politiek-juridische waarden juist omarmen, en zelfs meer dan de autochtoon. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het Gallup Coexist-onderzoek uit 2009. Dat is niet vreemd. Immers, deze waarden geven de moslims de vrijheid om zichzelf te kunnen zijn, ook als ze daarmee anders zijn dan de anderen. En dat doet geen afbreuk aan hun solidariteit aan het land waar zij wonen of de democratische instituties daarvan: integendeel, onderzoek wijst iedere keer uit dat hun loyaliteit daarmee heel hoog is.

Van politiek-juridische waarden naar culturele

De wending in het waardendebat is dat het niet meer gaat om deze politiek-juridische waarden, maar om wat ik noem de religieus-culturele waarden. Die kunnen het best samengevat worden met ‘zo doen we dat nu eenmaal hier’. Dit gaat niet om vrijheden of gelijkheid, maar juist om de eigenheden van mensen. Wij groeten door de hand te schudden – niet omdat daar een regel voor staat, maar omdat we dat nu eenmaal zo doen. Wij etaleren onze religieuze voorkeuren niet publiekelijk – niet omdat het verboden is, maar dat doen wij gewoon niet.

Deze twee soorten waarden worden steeds vaker door elkaar gebruikt. De discussie over Zwarte Piet is daar een goed voorbeeld van. Tegenstanders zien het als strijdig met het grondwettelijk beginsel van non-discriminatie, anderen zien het als diep verankerd met de Nederlandse cultuur.

Deze tweedeling speelt ook scherp bij Nederlandse moslims. De suggestie dat zij tegen democratie en rechtsstaat zouden zijn, wordt als bijzonder aanmatigend en pijnlijk ervaren. Het tegendeel is namelijk waar. Maar met name jonge moslims hebben wel een probleem met de wijze waarop de rechtsstaat wordt toegepast. Want zij ervaren dat vrijheid en gelijkheid niet voor hen geldt, omdat hun de naleving van bepaalde religieuze en culturele eigenheden wordt ontzegd, dat de vrijheid om te beledigen niet voor hen zou gelden. En ja, daar hebben zij een punt.

Het is van twee dingen een: of wij leven in een land dat de mensen de vrijheid geeft om anders te mogen zijn, of wij gaan een meerderheidscultuur voorschrijven. In het laatste geval onderscheiden wij ons niet zo veel van islamitische staten, die ook voorschrijven hoe mensen zich moeten gedragen en kleden – kortom, hoe mensen ‘normaal’ moeten doen.