Hoe het koffiezaakje op de Dam van ‘Goliath’ won

Franchisenemer

De koffietent op de Dam in Amsterdam was 3 jaar lang inzet van een juridische strijd tussen franchisenemer Gea Zwiers en Jacobs Douwe Egberts. De multinational zette alles op alles om haar zaak in handen te krijgen: kort gedingen, deurwaarders, intimidatie. Maar Zwiers won.

Gea Zwiers in haar koffiezaak Dam Good Coffee. „Het is een enorm gevecht geweest.” Foto’s Olivier Middendorp

‘Het is David tegen Goliath. De kleine franchisenemer tegen de grote multinational”, zegt Gea Zwiers in haar koffietent op de Dam in Amsterdam. „Maar ik heb gewonnen. Ik mag hier mijn eigen koffie blijven schenken.” Dat is het gevolg van een vonnis van de rechter in Amsterdam, die eind januari het zich al jaren voortslepende gevecht tussen Zwiers en koffiemultinational Jacobs Douwe Egberts in haar voordeel beslechtte.

Deze in Amsterdam gevestigde gigant, met een jaaromzet van rond de 4 miljard euro het op een na grootste koffie- en theebedrijf ter wereld, zette de afgelopen drie jaar alles op alles om de koffiewinkel van Zwiers op de Dam in Amsterdam in handen te krijgen. Kort gedingen, deurwaarders, beslagen, intimidatie – niets leek het moederbedrijf van Douwe Egberts te gek om die ene in het oog springende koffiewinkel terug te veroveren op de voormalige franchisenemer.

Het gevecht begon eind 2013. Zwiers runde op dat moment het best lopende filiaal van de Coffeecompany, een op Amerikaanse leest geschoeide koffieketen in handen van Jacobs Douwe Egberts die populair is bij zowel hipsters als de hordes toeristen die de Amsterdamse binnenstad dagelijks overspoelen.

Ongelukkig

Maar Zwiers was ongelukkig met het koffiebedrijf. Ze vond dat Coffeecompany te weinig deed voor het geld dat zij afdroeg om deel te mogen uitmaken van de succesformule („Een paar postertjes leveren, dat was de hele marketing”). Ook rekende het bedrijf naar haar smaak te veel voor de koffiebonen die ze verplicht moest inkopen. En bovendien was het management van de Coffeecompany vervangen en waren de nieuwe eigenaren van de formule anders: harder en onpersoonlijker – met minder ruimte voor inspraak.

En dus had zij besloten om de samenwerking te beëindigen, als Coffeecompany niet bereid was om een en ander te verbeteren. Om, als het echt niet anders kon, als een „oude hippie” verder te gaan. Net als vroeger, toen ze elk weekeinde in een grote bus naar Engeland reed met handeltjes. Of toen ze jaren later de Amsterdamse horeca in rolde en een succesvol café aan de Haarlemmerstraat opzette – op het moment dat die „volledig op zijn gat lag”.

Een naam had ze al: Dam Good Coffee – een koffiezaak die, net als de Coffeecompany, cappuccino’s, cortado’s en macchiato’s in alle soorten en maten zou schenken.

Nachtmerrie

Voor bedrijven die met franchisenemers werken, zijn dit soort solistische acties van ondernemers een nachtmerrie, die ze met knellende contracten en concurrentiebedingen proberen uit te sluiten. Maar de Coffeecompany had in het geval van Zwiers haar huiswerk slecht gedaan waardoor zij weg kon bij de formule. Daarop vluchtte het bedrijf in juridische bluf en spierballentaal:

“Het is een enorm gevecht geweest. Ik heb de zaak nog een keer omgetimmerd tot een skihut, ik heb hier ijs verkocht – alles om maar onder het juk van de Coffeecompany uit te komen. De druk was groot. ‘Wij procederen net zo lang door totdat je kapot bent’, vertelden ze mij. Zij zouden nooit toestaan dat ik mijn locatie mocht houden. En dat terwijl hun koffiefranchise juist bij mij begonnen is.”

Gea Zwiers had nog „mooie zwarte krullen” toen ze in 2005 in contact kwam met Coffeecompany, indertijd een kleine en ‘aaibare’ keten van koffiezaken. Zij huurde toen al een pand op één van de beste locaties van Nederland, recht tegenover het Koninklijk Paleis. Vandaar haar vraag: of dat geen goeie plek was voor een nieuwe Coffeecompany?

De koffieketen bestond op dat moment alleen nog uit een paar eigen winkels in Amsterdam, maar wilde snel groeien. En zo werd Zwiers de eerste franchisenemer. „Ik heb met de jongens van het eerste uur het wiel uitgevonden”, zegt Zwiers. „Ik moest de zaak op de Dam geschikt maken, zij deden de marketing, leverden de koffiebonen en ik verkocht de koffie. Dat kostte me een paar procent van de omzet.”

Het bleek een gouden zet. De omzet van de zaak van zo’n 20 vierkante meter schoot omhoog tot rond de 1 miljoen euro, mede dankzij het grote terras pal naast de Nieuwe Kerk. Maar toen de Coffeecompany gaandeweg in de greep van het grote geld raakte en werd doorverkocht aan (uiteindelijk) Jacobs Douwe Egberts, werd het minder gezellig tussen Zwiers en het bedrijf voor wie zij koffie stond te verkopen.

Albert Heijn

Dit zijn, in een notendop, klachten die franchisenemers vaker hebben over de formule waar zij onderdeel van zijn, zegt Jan-Willem Kolenbrander – de advocaat van Zwiers die gespecialiseerd is in franchisezaken. „Er is per definitie rechtsongelijkheid tussen franchisenemers en formules,” zegt hij. „Hoe dat uiteindelijk uitpakt – dat hangt er maar net van af. Van de kracht van de formule, van de kwaliteiten van de franchisenemers en van het economisch tij.”

Vorig jaar nog stonden 242 franchisenemers van Albert Heijn in de rechtszaal tegenover het supermarktconcern. Die zaak draaide om de vraag of franchisenemers eerlijk mochten meedelen in allerlei inkoopvoordelen en reclame-inkomsten uit bladen als de Allerhande of de Bonusfolder. Een ander strijdpunt: de kosten die de zelfstandige supermarktondernemers moesten betalen aan Albert Heijn.

Maar ook ging de zaak over de verhoudingen en het wederzijds begrip tussen moederconcern en franchise nemers, die voor de buitenwacht onderdeel uitmaken van het bedrijf waarmee zij ondertussen in keiharde onderhandelingen zitten.

Albert Heijn won de zaak, omdat de rechter niets over „eerlijk delen” terugvond in de franchiseovereenkomsten. Maar de rechter constateerde eveneens in zijn vonnis dat ruzie tussen de supermarktketen en de franchisenemers voor alle betrokkenen onwenselijk was en dat een gang naar de „onderhandelingstafel” voor de hand lag.

Powerplay

Overleg had ook de zaak tussen Zwiers en de Coffeecompany vlot kunnen trekken, zegt advocaat Kolenbrander. „Gea was ontevreden over wat ze moest betalen en over de diensten die de Coffeecompany leverde, maar daar was best uit te komen als Coffeecompany had bewogen. Deze zaak is bijzonder vanwege de enorme powerplay die er is gespeeld door de directie van Coffeecompany. Die heeft elke vorm van constructief overleg onmogelijk gemaakt.”

„Mijn vader had een garage en wilde nooit voor één merk werken,” zegt Zwiers. „

Daar komt dat dwarse vandaan. Het was altijd mijn droom om deze zaak aan mijn kinderen over te dragen, maar ik ben door deze affaire wel aan het twijfelen geslagen. Aan de andere kant: je moet niet bang zijn voor je tegenspelers, ook al zijn die nog zoveel groter dan jij.”

Coffeecompany wil niet reageren op het vonnis.