Caviahaters

Op een feestje vroeg iemand mijn zus of ze even kon kijken wanneer de laatste trein zou gaan. Mijn zus pakte haar mobiel erbij en de vraagsteller merkte op dat ze zo’n leuke achtergrond voor haar telefoon had.

„Ja,” zei mijn zus trots, „dat zijn mijn cavia’s.”

Dat was conversationele zelfexecutie. Om de een of andere reden staat de cavia hooggenoteerd in de top van debielste huisdieren (ze moet alleen de wandelende tak nog voor zich dulden) en ben je als eigenaar meteen aangeschoten wild als je met je cavialiefde voor de dag komt. De aanwezigen die zichzelf op de borst kloppen dat ze carnivoor zijn (dat wil zeggen: dat ze dieren eten die anderen voor hen hebben gedood en verwerkt tot onherkenbare plakjes) hadden meteen de grootste mond. Opmerkingen over cavia’s roosteren galmden door de kamer, alsmede luidkeels gezeur over dat cavia’s mislukte konijnen zijn. Mijn zus had nog beter kunnen zeggen dat ze uit Twente kwam, dan waren de reacties minder hysterisch geweest.

Maar wat me verbaasde, was dat mijn zus de grappen kalm over zich heen liet komen, beleefd lachte, en iedereen liet uitspreken. Ze ging met niemand in discussie en onderging alles zo gelaten dat ik haar er even van verdacht dat ze laxeermiddel in de schaal bowl had gedaan. Een massale race naar de wc bleef uit en ik, moe van al het gezanik over de liefste zoogdiertjes ter wereld, pakte mijn jas.

Toen ik naar huis wandelde, kookte ik nog na. Cavia’s zijn fantastisch. Ze zijn slim, aanhankelijk, doorgaans zindelijk en ze ruiken niet. Ze piepen schattig tegen je, herkennen hun baasje en kunnen puzzels oplossen (dit laatste weet ik niet zeker). Ik vrat me op over hoe bevooroordeeld men was. Thuis belde ik mijn zus. Die was het hele voorval allang weer vergeten.

„Hoe?! Hoe doe je dat?!” riep ik, half schreeuwend.

„Och weet je,” zei mijn zus, „met betrekking tot de cavia valt de mensheid gewoon in twee groepen te verdelen. De eerste groep kent de cavia alleen uit verhalen van anderen. Ze missen de verbeelding om er meer van te maken dan een wat slap aftreksel van een gerbil. Dat zijn de grappenmakers. De tweede groep kent de cavia uit eigen ervaring. Die weten beter. Daarom trek ik me van de haters niets aan en is het leven voor mij een stuk leuker. Laat ze maar denken dat ze lollig zijn. met zo’n houding wil niemand ooit nog met je naar bed.”

Ik moest denken aan wat Jezus in die ene bestseller zegt: „Vader vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.”

„Inderdaad”, zei mijn zus. „En nu wil ik slapen, ik heb over acht uur een date.”