Recensie

Berlijn heeft er weer een museum bij

Kunstmecenaat Software-miljardair Hasso Plattner stichtte in een 18de-eeuws paleis in Potsdam het nieuwe Barberini Museum. De openingsexpositie is gewijd aan impressionisten.

Het is een kopie van een kopie, en tegelijk nieuw en origineel. Met het Museum Barberini in Potsdam, dat vorige week in een herbouwd paleisje is geopend voor publiek, heeft de regio Berlijn er een culturele attractie van topniveau bij gekregen.

Gekregen, want het museum is een geschenk van software-miljardair en kunstverzamelaar Hasso Plattner. In 1972, het jaar dat Plattner met enkele collega’s bij IBM ontslag nam om een eigen softwarebedrijf te beginnen (het latere SAP), kocht hij ook zijn eerste kunstwerk. Inmiddels is Plattner (73) een van de rijkste Duitsers, een gulle mecenas en de bezitter van een indrukwekkende kunstcollectie.

Een deel daarvan is te zien op de twee openingstentoonstellingen van het nieuwe museum, in de oude Pruisische hoofdstad en Duitse keizersresidentie Potsdam. Daar liet Frederik de Grote in de achttiende eeuw het Barberini Palast bouwen, naar het voorbeeld van het Palazzo Barberini in Rome. Voor zichzelf had Frederik vlakbij het landelijke zomerpaleis Sanssouci gebouwd, in het hart van de stad zette hij dit classicistisch-barokke woonhuis voor gegoede burgers neer, dat het aanzien van Postdam moest oppoetsen.

Bombardement

Bij een Brits bombardement in 1945 werd een groot deel van de binnenstad van Potsdam verwoest, ook het Barberini Paleis. Maar Plattner heeft het, voor een onbekend bedrag, zorgvuldig laten nabouwen.

En zo staat het paleisje nu weer aan de Alte Markt, in het nog altijd wat lege historische hart van de stad, samen met de herstelde grote St. Nicolaikirche, een obelisk en het eveneens geheel gereconstrueerde stadsslot (waarin het deelstaatparlement van Brandenburg zetelt). Aan recentere Duitse geschiedenis herinnert op het plein alleen een in de jaren zeventig in modernistische DDR-stijl opgetrokken hogeschool – een contrapunt dat niet onaangenaam detoneert, maar wel schreeuwt om een forse opknapbeurt.

Plattner, die in Potsdam woont, wilde het museum per se in de voormalige DDR neerzetten, omdat hij vindt dat de DDR-burgers met de Duitse hereniging veel zijn kwijt geraakt – behalve de verafschuwde staat, veelal ook werk, zekerheid en waardering voor vrijwel alles wat maar met de DDR te maken had.

Als kunstverzamelaar heeft Plattner zich vooral gericht op werk van impressionisten én van DDR-kunstenaars. In de eerste twee tentoonstellingen van het nieuwe museum zijn deze beide voorkeuren terug te zien.

Monet en DDR-kunst

Het klapstuk is Impressionisme; de kunst van het landschap. Deze tentoonstelling omvat 92 schilderijen, die thematisch zijn gerangschikt: zeezichten bij zeezichten, winterlandschappen bij winterlandschappen, en open plekken in het bos bij andere open plekken in het bos.

Het klinkt wat braaf, maar door deze onpretentieuze helderheid gaat alle aandacht uit naar de schilderijen - van onder meer Signac, Renoir, Sisley, Caillebotte en vooral Monet. Maar liefst 41 Monets zijn er te zien, waaronder zowel een hooiberg als waterlelies. Sommige doeken zijn uitgeleend door andere musea, andere komen uit privé-collecties, waaronder die van Plattner.

Tot ergernis van de miljardair heeft Duitsland een wet waaronder kunstwerken tot Duits cultuurgoed kunnen worden verklaard, waardoor ze dan niet meer verhandeld mogen worden. Voor zijn eigen schilderijen wil Plattner de mogelijkheid van verkoop open houden. Hij vindt ook dat een museum in moeilijke tijden een doek op de markt moet kunnen brengen.

Daarom heeft hij zijn impressionisten voorlopig alleen uitgeleend aan het museum – na de tentoonstelling gaan ze weer terug naar de Verenigde Staten, waar hij een deel van het jaar woont.

Wel heeft hij het museum een groot aantal werken van DDR-kunstenaars geschonken, te zien in de andere tentoonstelling. Van Wolfang Mattheuer staat in de tuin tussen de twee vleugels van het museum het bekende beeld Jahrhundertschritt (Stap van de eeuw), de lange figuur met rechterarm geheven in een Hitler-groet, de linker met een gebalde vuist, het ene been in een soldatenlaars, het andere gestrekt vooruit.

Maar niet de hele tentoonstelling is zo politiek geladen. Mattheuer is ook met een surrealistisch schilderij vertegenwoordigd (Het grijze venster), Willi Sitte met een realistisch vlezig Liefdespaar. De politieke achtergrond van de schilders, en hun band met het DDR-regime, komt dit najaar aan de orde met de tentoonstelling: Achter het masker, kunstenaars in de DDR, over zelfreflectie van de staatskunstenaars van die tijd.

Het Museum Barberini is niet heel groot, maar het geeft een gevoel van weldadige breedte en culturele rijkdom.

Naast de twee hoofdtentoonstellingen zijn er nog enkele zalen Klassiekers van de moderne tijd (Liebermann, Munch, Nolde, Kandinsky), een beeldenzaal gewijd aan Rodin en dan ook nog een aparte tentoonstelling over de geschiedenis van het gebouw. Wie Berlijn bezocht had tot voor kort voor een uitstapje naar Potsdam aan één dag genoeg. Voortaan is dat te weinig.