Recensie

Verdrongen, bedrogen, weggemoffeld

Roman

Achter de woorden ‘Jouw man. Onze man’ schuilt veel tragiek. Vaak ben ik gelukkig is vintage Grøndahl.

Foto ANDREAS SOLARO/AFP

‘Vaak ben ik gelukkig’, zegt de vertelster in de nieuwe roman van Jens Christian Grøndahl, ‘gelukkig van binnen, ook al kan ik het niet altijd laten zien. Dat zijn allemaal gewoon dingen die voorbij komen. Je wordt geduwd en getrokken, soms verdrukt, en je kunt uit koers worden geslagen, maar van binnen ben je nog steeds dezelfde.’

Verdrongen worden, bedrogen en weggemoffeld – daar weet Ellinor alles van. Eindelijk, voor het eerst in haar leven, vertelt ze het hele verhaal, zonder iets weg te laten, aan haar vriendin Anna. Die vriendin is al meer dan veertig jaar dood, verpletterd onder een lawine in de Alpen, tijdens een skivakantie. ‘Nu is jouw man ook dood, Anna’, schrijft ze. ‘Jouw man. Onze man.’

Achter die paar zinnen schuilt de kern van vier mensenlevens – precies het suggestieve, het mysterieuze en het diep menselijke dat het schrijverschap van de Deen Grøndahl (1959) karakteriseert. Hoe doet hij dat toch, vraag je je bij iedere nieuwe roman af – wat is het dat je iedere keer weer grijpt?

In deze nieuwe roman, Vaak ben ik gelukkig, schuilt het geheim in de compositie. Grøndahl koos voor de jij-vorm, waarbij de verteller zich direct tot iemand richt. Wij, de lezers, zijn niet degenen die de schrijver in het vizier heeft, maar we worden op die manier wel ingewijden, wij worden van buitenstaander deelgenoot van een geheim, een levensverhaal.

Onder de douche

De eerste cryptische zin (‘Jouw man. Onze man’) zet ons al meteen op scherp: hoezo? Wat volgt zijn een paar zinnen over een graf, ‘jij had al buren’, over kalksteen of graniet, over wie je van waaruit kunt zien. Dan blijkt dat ‘Jouw man. Onze man’ onder de douche in elkaar is gezakt, dat hij 78 was, dat hij ‘het je nooit helemaal heeft vergeven’ en dat ‘ik jouw plaats nooit helemaal had kunnen innemen’.

Langzaam, stap voor stap, flard bij flard wordt ons duidelijk welk drama er schuilt achter ‘Jouw man. Onze man.’ Die doses informatie krijgen wij mondjesmaat, tussen de regels door toegeschoven, vrij meanderend, quasi-achteloos. Uiteindelijk leggen we de stukjes aan elkaar: twee jonge stellen gaan op wintersport, de man van de één krijgt een verhouding met de vrouw van de ander, samen worden ze vermorzeld door een lawine. De andere twee brengen de rest van hun leven met elkaar door, de vrouw zorgt voor de kinderen van haar overleden, overspelige vriendin. Als haar man, ‘jouw man, onze man’, sterft, maakt de vertelster de balans op en keert ze terug naar de buurt waar ze opgroeide.

De plot is snel verteld, al onthult de vertelster ook nog haar eigen verrassende afkomst, waarover ze nooit met iemand heeft gesproken. Ook schetst ze hoe haar innige relatie met de kinderen van haar vriendin met de jaren, na hun huwelijk en nadat ze zelf ouders waren geworden, veranderde, scheuren ging vertonen. Het enige dat onveranderd is, is de diepe vriendschap die ze voelt voor haar vriendin, die ondanks alles geen krasje heeft opgelopen.

Suggestief en spannend

Maar in wezen staat de plot, hoe leidend ook, bij Grøndahl altijd op het tweede plan, is hij suggestief en daarom zo spannend. Ook in deze vertaling blijven zijn toon en timbre behouden, resoneert de emotie, de psychologie mee, zonder ook maar een moment de overhand te krijgen. Als de vertelster uiteindelijk terugkeert naar de buurt waar ze is opgegroeid, een wijk met beduidend minder status dan die waar ze met haar man heeft gewoond, schrijft Grøndahl dat het voor haar ‘twee foto’s lijken die over elkaar heen zijn genomen omdat je bent vergeten het filmpje door te draaien. De lijnen worden verdubbeld, het perspectief verschuift een beetje en in die afstand, in die verschuiving van onscherp licht, heb ik opeens het grootste deel van mijn leven geleefd.’

Dit soort observaties maken Vaak ben ik gelukkig tot een schitterende vintage Grøndahl.