Opinie

Ontslag Abou Jahjah was niet laf, maar juist heel moedig

Abou Jahjah legitimeerde geweld tegen onschuldige mensen, schrijft . De Standaard trok terecht een grens.

De Belgische activist Dyab Abou Jahjah in De Balie tijdens de presentatie van zijn boek Pleidooi voor radicalisering. Foto Jeroen Jumelet/ANP

Jan Kuitenbrouwer hekelt in NRC het ontslag van Dyab Abou Jahjah door De Standaard. De Belgische krant stopte in januari met de column van de Belgisch-Libanese publicist na zijn reacties op de aanslag in Jeruzalem. Volgens Kuitenbrouwer zouden we solidair met Jahjah moeten zijn, zoals we dat ook waren met de vermoorde cartoonisten van Charlie Hebdo. Kuitenbrouwer maakt meer gekke vergelijkingen, en heeft het over „soortgelijke verzetsdaden” in de Tweede Wereldoorlog in Nederland waar wij juist een voorbeeld aan zouden moeten nemen. Dit zou legitiem verzet zijn omdat het om soldaten ging en de aanslag in bezet Oost-Jeruzalem plaatsvond.

Dat laatste is onjuist: de aanslag vond plaats op een heuvel die tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog in Israëlische handen kwam en bij de onderhandelingen in 1949 een gedemilitariseerde zone werd tussen de wapenstilstandslijnen van Israël en Jordanië. Het voormalige Britse Gouvernementshuis op de heuvel werd toen een waarnemerspost van de VN. Tijdens de Zesdaagse Oorlog nam eerst Jordanië de heuvel in en vervolgens Israël.

Dat het Israëlische soldaten betrof en geen burgers, doet niet ter zake voor de ernst van de aanslag. De soldaten waren niet op missie maar op een toeristisch uitstapje, en daarmee in feite burgers. Maar zelfs als zij op missie waren, mogen ze niet zomaar gedood worden volgens het oorlogsrecht. Onlangs nog is een Israëlische soldaat veroordeeld voor het doodschieten van een reeds uitgeschakelde terrorist. Je mag een aanvaller immers alleen doden als hij een gevaar vormt voor jou of anderen.

Lees ook de column van Jan Kuitenbrouwer: Een laffe daad om Jahjah te ontslaan

Kuitenbrouwer meent onterecht dat de VN alle geweld tegen een bezetter legitimeert, en haalt daartoe resolutie A/RES/37/43 uit 1982 aan. Dit is een resolutie van de Algemene Vergadering en daarmee geen internationaal recht. Daarnaast stelt het oorlogsrecht wel degelijk allerlei voorwaarden aan het gebruik van geweld, ook als je wordt aangevallen of tegen een bezetting strijdt.

Volgens veel Arabieren is heel Jeruzalem overigens bezet gebied dat de Palestijnen toebehoort, net als heel Israël. Ook Abou Jahjah denkt er zo over, en zet het woord ‘Israël’ daarom doorgaans tussen aanhalingstekens. Hij ontkent daarmee het recht op zelfbeschikking van het Joodse volk, een grondrecht dat door de VN wordt bevestigd.

Abou Jahjah legitimeert in zijn uitlatingen geweld tegen onschuldige mensen en zet mensen op tegen ‘zionisten’, te weten alle Joden die Israëls bestaansrecht niet ontkennen. Hij zet zich niet „weloverwogen” in voor de „bevrijding van een onderdrukt volk” zoals Kuitenbrouwer beweert, maar ageert tegen het bestaan van een legitieme staat die een thuis en veiligheid biedt aan een eeuwenlang vervolgd volk, en vergelijkt dit volk vervolgens met zijn eigen vroegere beulen om het dit basale recht te ontzeggen.

Kuitenbrouwer volgt Abou Jahjah ook in zijn onjuiste verhaal over zijn geboortedorp Hanin. Dit Libanese dorp werd volgens hem in 1976 door Israël aangevallen waarbij 120 burgers werden „afgeslacht”. Israël zat toen echter nog helemaal niet in Libanon en voerde daar geen grootschalige aanvallen uit. In 1976 vonden er grote moordpartijen plaats door Palestijnse, Libanese en Syrische eenheden. Deze aanval werd waarschijnlijk uitgevoerd door (met Israël samenwerkende) christelijke Libanese milities en de dodenaantallen zijn schromelijk overdreven. Pro-Palestijnse bronnen spreken van 20 tot 30 doden, en van „Israël en haar handlangers”. Met deze verdraaiing van de feiten wordt de Israëlhaat en actieve deelname aan Hezbollah door Abou Jahjah gerechtvaardigd.

Het ontslag van Abou Jahjah door De Standaard was niet laf maar juist heel moedig. Men snoert ook niemand de mond, maar trekt wel een grens in wie men aan het woord laat in het publieke debat in kwaliteitsmedia, en wie iets te zeggen heeft dat daaraan bijdraagt en wiens visie te extreem of haatdragend is.

Nederlandse media zouden hier een voorbeeld aan kunnen nemen.