Jonge vrouwen in deeltijd: onvrijwillig of een keuze?

Parttime banen

De werkverdeling tussen jonge mannen en vrouwen is in Nederland ongekend scheef. Het kan ook, omdat we koploper flexwerk zijn.

De achterstand van vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt begint al direct na hun schooltijd - en niet pas wanneer ze kinderen krijgen. Dat staat in het onderzoek Eerste treden op de arbeidsmarkt van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat dinsdag is gepubliceerd. Jonge vrouwen werken veel vaker in deeltijd dan jonge mannen. Bovendien is het verschil in het aantal uren dat ze werken nergens in Europa zo groot als in Nederland.

1. Hoe groot is het verschil tussen jonge vrouwen en mannen?

Groot: van de 18-25 jarigen heeft 62 procent van de vrouwen een deeltijdbaan, tegenover 28 procent van de mannen. Dat verschil wordt nog groter bij vrouwen tussen de 25 en 35 jaar, maar dat verklaart het SCP met het moederschap. Verder werken jonge vrouwen (20-35 jaar) gemiddeld één dag per week minder dan mannen. In Nederland werken jonge vrouwen 29 uur per week en jonge mannen 37 uur. Dat verschil is dubbel zo groot als gemiddeld in Europa en maakt Nederland „koploper” scheve werkverdeling, zegt het SCP. In totaal werkt driekwart van alle vrouwelijke werknemers parttime, volgens ander onderzoek van 2016.

2. Welke verklaringen geeft het SCP voor het grote verschil?

Nog geen. De verklaringen bij dit kwantitatieve onderzoek worden dit jaar gezocht in een kwalitatief vervolgonderzoek, vertelt SCP-onderzoeker Ans Merens. De onderzoeken worden gedaan in opdracht van de directie emancipatie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Nederland kent in ieder geval een lange traditie van deeltijdwerken voor vrouwen, vertelt Merens: „Eind jaren vijftig gingen gehuwde vrouwen bij grote bedrijven in deeltijd werken. Tijdens de crisis in de jaren zeventig en tachtig kwam er deeltijdwerk bij de overheid. In sommige economische sectoren, zoals de zorg en kinderopvang, is deeltijd de norm geworden.”

3. Wat zeggen andere onderzoeken over het deeltijdwerken?

Voor Janneke Plantenga, hoogleraar economie van de welvaartstaat in Utrecht, zijn de conclusies niet nieuw. Plantenga publiceerde in 2013 onderzoek over jonge vrouwen met deeltijdwerk en somt nog een paar andere verklaringen op. „Ten eerste: het is simpelweg mogelijk” zegt ze. „Nederland heeft een hele flexibele arbeidsmarkt”. Met gemiddeld 38,5 procent werkenden in deeltijd, is Nederland Europees kampioen deeltijdbanen, volgens cijfers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) uit 2013. Ter vergelijking: het gemiddelde van de 35 OECD-landen is 17,1 procent deeltijdbanen. „Nederland is ook een rijke samenleving, we kunnen het ons veroorloven om minder te werken”, zegt Plantenga. „En er is een cultureel argument: in Nederland hechten we aan andere zingeving dan betaald werk. Dat zal zeker voor jonge vrouwen belangrijk zijn.”

4. Worden jonge vrouwen niet gewoon gediscrimineerd?

„Mogelijk werken jonge vrouwen vaker onvrijwillig in deeltijd”, oppert het SCP in het rapport. Het zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat vrouwelijke schoolverlaters iets minder tevreden zijn over hun baan dan jonge mannen. Die ontevredenheid is groter naarmate ze minder uren werken en minder verdienen, blijkt uit aanvullende analyses. Toch verschilt de arbeidsmarktpositie van jonge mannen en vrouwen met hetzelfde opleidingsniveau niet zoveel, volgens het SCP. De helft van de laagopgeleide schoolverlaters heeft na anderhalf jaar een baan, bij hoogopgeleide schoolverlaters heeft negen op de tien tegen die tijd werk.

5. Verbeteren de kansen van vrouwen als ze ouder worden?

Niet echt, blijkt uit een analyse uitkeringsinstantie UWV. Mannen zijn oververtegenwoordigd in de meest kansrijke beroepen en vrouwen in de minst kansrijke (zie grafiek). „Door het aantrekken van de economie en woningmarkt is er veel vraag naar zwaar en technisch werk in de bouw”, zegt arbeidsmarktadviseur Freek Kalkhoven van het UWV. „Aan de andere kant zie je dat veel administratief werk wordt vervangen als gevolg van automatisering en digitalisering, denk aan secretaresses”. Meisjes kiezen ook nog steeds minder voor technische opleidingen: bijvoorbeeld 80 procent van de mbo-leerlingen zijn jongens. Veel meisjes kiezen juist voor „overschotberoepen” met grote concurrentie op de arbeidsmarkt, zoals kapster en schoonheidsspecialiste.

6. Hoe staat het dan met de emancipatie op de arbeidsmarkt?

Het gaat steeds beter, schreef OCW- minister Jet Bussemaker (PvdA) onlangs aan de Tweede Kamer. Het aandeel „economisch zelfstandige vrouwen” in Nederland is in een decennium gestegen van 46 naar 54 procent (tegenover 74 procent van de mannen). Maar de overheid geeft nog niet het goede voorbeeld. Uit het SCP-rapport blijkt dat het aandeel jonge ambtenaren met een vast contract bij mannen (75 procent) veel groter is dan bij vrouwen (34 procent). Een mogelijke verklaring is dat meisjes sneller afstuderen dan jongens en als trainees vaker tijdelijke contracten krijgen, volgens het SCP.