Opinie

    • Maxim Februari

De rode draad van Silicon Valley naar de rechtsstaat

Je knipt een paar zinnen van een pak melk, een foto uit de folder van de Gamma, een alinea uit een boek van David Foster Wallace, je prikt alle papieren op een bord, trekt een touwtje langs de punaises en plotseling wordt een code zichtbaar. Hoera. Alle wereldraadselen in één klap opgelost. Maar meteen gaan overal alarmbellen af, want door dat gedoe met die codes op zo’n wandbord lijk je wel een paranoïde schizofreen. Je kijkt jezelf eens onderzoekend aan en schudt je hoofd. Paranoïde schizofreen! Hoe kom je daar nou weer bij? Ben je soms een psychiater?

In dit nieuwe jaar gebeurden er drie dingen. Ten eerste kreeg ik een geniaal inzicht in de toekomst van de digitale rechtsstaat. Ten tweede sprak ik iemand uit Silicon Valley. Die waarschuwde dat niemand naar dat geniale inzicht van mij zou willen luisteren. „Koop een bunker in de woestijn van Utah”, zei hij. „En red jezelf.” Ten derde las ik dat mensen uit Silicon Valley zich massaal terugtrekken in bunkers in de woestijn. Deze drie dingen prikte ik op een bord, ik trok er een lijn doorheen en ik stelde vast dat ik gek was geworden. Dat hoefde geen probleem te zijn. Ik kon mijn eigen paranoia tot onderzoeksobject maken. Minstens zo leuk als de rechtsstaat.

Daarom vandaag een zonnige aflevering over het fenomeen van het wandbord met knipsels. Het grappige is dat je helemaal niet paranoïde hoeft te zijn om zo’n wandbord te maken. De ‘wall of crazy’ is een centraal element in de hedendaagse cultuur. Je kunt er inderdaad eentje maken als je gek en gevaarlijk bent, maar ook als je politieagent bent, interieurontwerper van VT Wonen of brave vergaderaar. In het dominante, Engelstalige jargon heet zo’n bord dan achtereenvolgens ‘big board’, ‘mood board’ of ‘mind map’.

De crux ervan zit in het touwtje. Dat verbindt de ogenschijnlijk losstaande informatie op het bord en markeert de samenhang in de wereld. Gekken, misdadigers en detectives gebruiken meestal een rood touwtje, omdat dat goed oogt op film, en omdat Goethe ooit is begonnen over een ‘rode draad’ door de dingen. Maar in ieder geval, rood of niet, is die verbindende draad een zichtbaar gemaakte abstractie. „Een bijzondere vorm van hypertext om informatie te organiseren”, schrijft The New Scientist deftig. „Zoiets als het wereldwijde web.”

Aan informatie alleen heb je niets. Hoeveel Polaroids, plattegronden, voodoopoppetjes en wiskundige formules je ook opprikt – je kunt zelfs een kamer volstouwen en een koelkast met lijken erin aan de verzameling toevoegen – de magie ontstaat door de rode draden. De ‘synapsen’, noemt de ene commentator ze, de ‘lichamelijkheid van verbindingen’, zegt de andere. Een architectuur van de associërende gedachte. Dat kun je figuurlijk opvatten, maar het is handig als je gewoon echt een draadje ziet lopen.

Let nu goed op. Onderzoekers naar borden en draden prikken foto’s van verschillende borden vervolgens naast elkaar op één nieuw bord. Een metabord. En natuurlijk trekken ze op dat metabord dan weer draden. Zo ontstaan die theorieën over lichamelijke verbindingen. Over de muur als verzinnebeelding van de gedachtegang. Naast de foto’s van borden prikken ze foto’s van geheugenkamers. Boekenwielen uit de Middeleeuwen. Aby Warburgs Mnemosyne Atlas, een metaforische encyclopedie. Crazy walls van de kunstenaar Thomas Hirschbaum.

En nu wordt het geinig. Want prik je deze metaborden, die gaan over instrumenten waarmee je informatie kunt organiseren, weer naast elkaar op een bord, dan heb je zowaar een meta-metabord. En de rode draad op dat bord zegt dat je de geest steeds harder moet laten waaien. Steeds speculatiever moet denken. Hoe gekker, hoe beter, zou je kunnen zeggen. Hoe groter de verzameling informatie, en hoe slechter gedefinieerd het probleem, hoe meer mogelijke toekomsten voor je liggen en hoe vrijer je de geest moet leren associëren.

Op dit punt wordt het echt spannend, want nu komt het meta-meta-metabord in zicht. Omdat ik precies op dit punt was ik aangekomen, begon ik de borden over het vrije waaien dus ijverig op mijn meta-meta-metabord te prikken. Het ging lekker. Kijk, ik prikte er een liedje van K3 op. „Trek je badpak aan, laat je nu maar gaan. Niks is nog belangrijk, want de zomer komt eraan. En zeg ooh. Ooh-ooh-ooh. Ooh-ooh-ooh-ooh-ooh ooh-ooh-ooh-ooh-ooh. Laat de wind maar waaien.”

Terwijl ik diep geconcentreerd met mijn wandbord bezig was, arriveerde een auto met een paar zorgzame mannen erin. Ze gingen me naar een bunker in de woestijn van Utah brengen, zeiden ze. Nou, dat vond ik echt heel aardig van ze, maar ja, ik moest dus de rechtsstaat redden, en ik was net zo lekker op dreef.

Maxim Februari is jurist en schrijver. Deze column is wekelijks.
    • Maxim Februari