De peperdure papavers van ‘Prins Igor’

Bij De Nationale Opera is deze maand de opera ‘Prins Igor’ van Borodin te zien. Dure spektakel-producties als deze ontstaan vaak in co-productie met andere operahuizen. Hoe werkt dat?

Scène uit Borodins Prins Igor door de Metropolitan Opera in New York. Dezelfde productie is in Amsterdam vanaf dinsdag te zien. Foto Cory Weaver

Ruim een week voor de première van Prins Igor ligt een rood klaprozenveld al uitgestrekt in De Nationale Opera. Na een boottocht van zes weken in scheepscontainers is het gearriveerd uit New York en net als de rest van het decor in de vorige zes uur opgebouwd. Zangers doen hun stemoefeningen rond lunchtijd, het orkest is aan het stemmen in de bak. Het decor staat nog maar net, of de eerste repetities voor de opera van Alexander Borodin beginnen en de zangers staan weer tussen de bloemen die ze nog kennen van hun voorstellingen in New York in 2014.

Papavers van zijde

Bij The Metropolitan Opera in New York waren de felrode zijden bloemen waartussen de zangers en dansers opdoken tijdens de ‘Polowetser dansen’ twee jaar geleden een sensatie voor het publiek. Een paar maanden later haalde het ‘red poppyfield’ de Amerikaanse krantenpagina’s zelfs opnieuw, nu omdat tegen bezuinigingen agerende vakbonden de bloemen tot symbool maakten voor verkwisting door het management van The Met. 170.000 dollar had het bloemenveld gekost: waarom was er zijde voor gebruikt en niet een goedkoper kunststof?

In Amsterdam zullen die discussies niet losbarsten. The Met, ‘leidend co-producent’, heeft zich keurig gehouden aan het budget dat in de productie-overeenkomst is afgesproken met De Nationale Opera en Ballet, en de keuze voor materialen ligt dan volledig bij het leidende operahuis.

Wel kan technisch directeur Frans Huneker zich vrolijk maken over de snelheid waarmee zijn 27 man personeel in de uren daarvoor het decor – behalve het bloemenveld ook een Russische stad – hebben opgebouwd. In de VS hadden ze daar 60 man voor nodig. Weliswaar omdat de machtige vakbonden een dergelijke grote inzet van personeel afdwingen, maar toch. Het scheelt veel kosten. „Vooral omdat theatertechnici in New York veel meer verdienen. Een toneelassistent krijgt daar al snel 140.000 dollar per jaar, hier verdient die niet meer dan 28.000 euro per jaar”, vertelt Huneker. „En als het ons dan lukt, zoals vanmorgen, dan denk ik wel even: wow!”

Dure monsterproducties

Sinds het begin van deze eeuw doen grote operahuizen steeds vaker aan co-producties. De laatste jaren neemt het aantal bovendien snel toe. Drie tot vier per jaar doet De Nationale Opera er nu. Alleen zo kunnen nog monsterproducties als Prins Igor gemaakt worden. Uit het jaarverslag: „Ze zijn een must voor een hedendaags operahuis van wereldformaat.”

Waarom? Opera’s zijn spektakels, waarbij kosten noch moeite worden gespaard voor kostuums en decors. „Zonder co-producenten zijn grote producties als Prins Igor, met een groot koor, een orkest en veel figuranten bijna niet mogelijk”, zegt zakelijk manager Anne-Marie Hoogland. Een operaproductie kost al snel een paar miljoen euro. Maar aan co-produceren en verhuren van opera’s verdient De Nationale Opera soms ook, in 2015 bijna 1,5 miljoen euro.

Artistieke keuzes

Laat er geen misverstand over bestaan, co-producties worden nooit louter vanuit een financieel oogpunt aangegaan. Dat benadrukken ze maar al te graag bij De Nationale Opera. De artistieke leiding neemt het initiatief en beslist. Pierre Audi en zijn rechterhand, Jesús Iglesias Noriega, hebben een wijd netwerk. Ze vertellen over hun eigen ideeën of horen van anderen en zoeken dan de samenwerking. Iglesias Noriega: „Omdat we een bepaalde opera graag willen brengen, of omdat we met een regisseur willen werken.”

Daarbij komt het volgens Iglesias Noriega vaak voor dat De Nationale Opera een regisseur weet te strikken die de interesse wekt van andere operahuizen. „Zo wilde de vermaarde Britse toneelregisseur Simon McBurney nooit een opera doen. Wij hebben hem overtuigd en hij heeft voor ons en de English National Opera Die Zauberflöte en A Dog’s Heart gemaakt. Wij hebben een groot voordeel: dat veel belangrijke regisseurs graag in Amsterdam willen werken.”

Bij een co-productie betekent dat nog niet dat de opera in verschillende steden ook exact gelijk wordt opgevoerd. „Een regisseur leert van de eerste voorstellingen, wil alternatieven uitproberen en voert soms veranderingen door in de cast”, zegt Iglesias Noriega. „Vooral omdat het publiek in verschillende landen ook van andere zangers houdt. In Italië en Spanje gaat het veel meer om hun manier van zingen dan hun performance bijvoorbeeld.”

Afmetingen

Met decor en kostuums is het wel de bedoeling dat er zo min mogelijk veranderd wordt. Zo worden de kosten gedeeld en dus in de gaten gehouden. „Een decor moet ook duurzaam zijn, het moet niet zo zijn dat ze in een ander theater weer de zaag erin moeten zetten”, zegt Huneker.

Maar dat valt niet altijd mee. De afmettingen van het toneel van operahuizen kunnen zeer verschillen. Bij de English National Opera in Londen is het veel kleiner dan bij De Nationale Opera in Amsterdam, dat een van de grootste ter wereld heeft. Hoe wordt dat dan aangepast?

Bram de Ronde, hoofd productie en voorstellingsleiding: „De ontwerper maakt een proefopstelling op het ware formaat, met goedkope materialen als triplex, doeken en plastic. In de regel is dat een tot anderhalf jaar voor de première. Met de regisseur wordt gekeken of de zichtlijnen goed zijn, de dirigent komt om de invloeden op de akoestiek te beoordelen en de co-producenten bekijken of het wel in hun theater past en of decorstukken een paar meter moeten opschuiven om in de buurt van een lift te staan. Die aanpassingen worden dan gewoon gedaan, of we houden er rekening mee.”

Opereren als ondernemer

Vorig jaar bracht De Nationale Opera vier co-producties, waarbij Amsterdam drie keer leidend was. Veel werk voor het decor-atelier dus. Dit jaar is nog niet bekend of er voor Rigoletto nog een co-producent wordt gevonden. De Nationale Opera is niet de leidend producent bij The Rake’s Progress van Stravinsky, dat in juli op het festival in Aix-en-Provence wordt opgevoerd, maar bouwt wel het decor. Huneker: „Zij weten door eerdere co-producties wat we kunnen. Maar we bieden ook een scherpe prijs, wij opereren daarin als ondernemer.”

Ook worden co-producenten van advies voorzien. Voor Mozarts La clemenza di Tito op het festival in Salzburg in de regie van Peter Sellars, heeft de ontwerper hoge zuilen van perspex bedacht. De Ronde: „Salzburg had daar geen ervaring mee. Wij hebben ze in contact gebracht met onze leverancier en die heeft een offerte uitgebracht. Vink was twintig procent goedkoper dan concurrenten in Oostenrijk en maakt nu de decors, wij zien er namens Salzburg op toe. En ik heb Jesús erover ingelicht dat Salzburg zo bespaart op de begroting. Dat geeft weer financiële ruimte om andere dingen te doen.”

Wordt het dan altijd makkelijk gemaakt om producties naar buitenlandse operahuizen te laten gaan? Frans Huneker twijfelt even of hij een verhaal zal vertellen. Dan begint hij over de discussie die hij het afgelopen weekend had met Jan Versweyweld, de decorontwerper van Salome, de opera van Richard Strauss die op het Holland Festival onder de regie van Ivo van Hove in première gaat. „Hij heeft een hele hoge ellips bedacht. Die levert problemen op als wij hier in het theater intern moeten wisselen met repetities of uitvoeringen van andere opera’s of balletvoorstellingen. En hij zal ook moeilijk te vervoeren zijn naar andere theaters. Ik heb andere oplossingen voorgesteld, maar die vindt de decorontwerper niet acceptabel.”

Tot dusver is er ook nog geen co-producent of huurder van Salome, al lopen er gesprekken. De uitkomst? Huneker: „Ik heb dit keer verloren. Ik ben als een aannemer en schik me naar de opdrachtgever. Ook niet erg. We zoeken wel weer nieuwe oplossingen als de opera toch nog wordt verhuurd.”

Prins Igor door De Nationale Opera/ Rot. Phil Orkest olv Stanislav Kochanovsky. Te zien vanaf 7 februari. www.dno.nl