De agame

Na drie tegenvallende ervaringen waren we wat mij betreft gestopt met de plaatselijke dierentuin (Artis). De dochter (1) had nul interesse in de dieren daar en dus was er daar voor ons alletwee geen bal aan.

Andere ouders stonden daar anders in, die bleven ondanks de desinteresse van hun kroost volhardend zenden wat de dierentuin zelf ook communiceert: dat het er een feest voor jong en oud en dier is.

Ik herinnerde me een vader bij de olifanten in wie ik een lotgenoot dacht te vinden. Zijn kind zat ook heel nadrukkelijk niet te genieten, maar hij bleef keihard liegen dat ‘ze’ – hij sprak ook namens zijn krijsende nuljarige – het heel erg leuk hadden. Niet ‘leuk’, maar ‘heel erg leuk’ zelfs. Het scheelde niet veel of hij was ook namens de olifanten gaan praten.

In het half jaar dat volgde, was de dochter van dieren gaan houden. Dat wil zeggen: ze liet zich gillend op de grond vallen als we op de stoep een hond passeerden en ontwikkelde een bijna maniakale interesse in onze langharige kat Duttie, een dier dat zelf in niemand interesse toont en regelmatig het bankstel onder kotst.

‘Papa’ of ‘mama’ komt er nog steeds niet uit, maar ‘Duttie’ dan toch wel. Ze zegt het de hele dag – ‘Duttie! Duttie! Duttie!’ – en daarna slaat ze haar met een stok, trekt ze aan haar staart of probeert ze op haar te gaan zitten.

Ik hield niet van dat beest, daarvoor is er te veel gebeurd, maar misschien moesten we haar toch maar een dagje ontlasten en Artis een tweede kans geven, dacht ik gisteren.

De dochter wandelde zelf door de toegangspoortjes, in een rechte streep naar zo’n metalen karretje waar je twee euro in moet stoppen en dat ze vervolgens zelf wilde slepen. Met veel kabaal – door dat karretje – passeerden we de apen op de rots, de olifanten en de enorme kudde roze flamingo’s. Ze had geen enkele interesse in ze.

Toen het ging regenen, vielen we heel nadrukkelijk het overdekte apenhok binnen, zelfs het kluitje Artis-medewerkers in hun blauwe T-shirts schrok ervan op. Een van hen – een roker, dat rook ik meteen – legde uit dat ze met zoveel waren omdat er direct contact mogelijk was tussen bezoekers en apen, vliegende honden en reptielen.

„Zie ons als intermediairs…”

Ik wilde nog ‘doe geen moeite’ zeggen, maar toen lag de dochter dus al wijdbeens in een plas water een groen reptiel te aaien. Ik moet wanhopig naar de Artis-intermediair hebben gekeken, maar die zei heel geroutineerd dat het een agame was en dat die sla eten.

Daarna: „Zo te zien zijn het maatjes. Ik zou m’n abonnement alvast maar verlengen.”

Het was dat, of zelf zo’n beest kopen.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.