Bij elke club kan een verborgen camera in de kleedkamer hangen

Misbruik in de sport

Uit een rondgang van NRC blijkt dat clubs soms nog jaren worstelen met de nasleep van een zedenzaak. De ene vereniging verbiedt topjes met spaghettibandjes, andere blijven liever zwijgen.

Een verborgen videocamera in een locker van de kleedkamer. Rudolph van Dusseldorp, verenigingsmanager van hockeyclub HGC in Wassenaar, kan er nog steeds niet bij. Twee jaar geleden werd voormalig trainer Luigi C. veroordeeld voor het filmen van honderden speelsters. De mediastorm is inmiddels geluwd, maar Van Dusseldorp inspecteert nog steeds alle kleedkamers. „De techniek is zó verfijnd, je ziet opnameapparatuur makkelijk over het hoofd.”

De vereniging waar twee van de drie dochters van koning Willem-Alexander hockeyen, staat bekend als ‘de club van de hockeygluurder’. Niet fijn, zegt Van Dusseldorp. Maar het heeft één voordeel: mensen vergeten niet dat „dat soort dingen” ook in de sportwereld gebeurt. Andere clubs maken er graag grappen over, vertelt hij. „Terwijl ik denk: het had jullie ook kunnen overkomen.”

Nicolette Schipper-van Veldhoven, lector sportpedagogiek aan de Hogeschool Windesheim, gebruikt het voorbeeld van de hockeygluurder als wake-upcall. „Dat zeiden ze bij de club van de prinsessen ook”, zegt zij tegen sportbestuurders die denken dat hun club gevrijwaard blijft van excessen. „Dan zie ik ze denken: als het dáár gebeurt, waarom niet bij ons?”

Jaren worstelen met nasleep

Enkele tientallen zaken over seksueel ontoelaatbaar gedrag van (ex-)medewerkers van sportclubs – van grooming en kinderporno tot misbruik van jongens en meisjes – haalden de afgelopen jaren de pers. Er waren coaches, trainers en elftalleiders uit een tiental sportdisciplines bij betrokken. Uit alle delen van het land en van alle niveaus.

Over één ding zijn de meeste verenigingen het eens: het boek kan niet dicht als de rechter het vonnis heeft uitgesproken. Soms wordt er nog jaren geworsteld met de nasleep van een ontuchtzaak. En dáár zijn journalisten en onderzoekers vaak niet in geïnteresseerd. Clubs moeten – al dan niet met hulp van sportbonden, politie, justitie en NOC*NSF – het vertrouwen van sporters en hun ouders terug zien te winnen. Ze moeten nadenken over maatregelen om herhaling te voorkomen. Ze moeten zich ook opnieuw verhouden tot de man – in alle gevallen gaat het om een man – met wie zij soms jaren langs het veld of de badrand stonden. Dat levert gemengde gevoelens op.

Uit een rondgang langs sportclubs die de afgelopen vijf jaar met seksueel overschrijdend gedrag van een (ex-)medewerker te maken kregen, blijkt dat er geen pasklaar antwoord bestaat. Sommige clubs ontwikkelden een protocol om de kans op nieuwe misstanden te verkleinen. Zoals de Haagse korfbalclub Dubbel Zes, waarvan een coach enkele jaren geleden voor ontucht werd opgepakt. Coaches van de club mogen zich tegenwoordig niet meer in een gesloten ruimte met een jeugdlid bevinden. Wie met jeugdleden werkt, moet een verklaring omtrent het gedrag (vog) overleggen. Ongewenst gedrag kan bij een vertrouwenspersoon worden gemeld. „Het is een signaal dat wij zo optimaal mogelijk bescherming aan onze leden bieden”, zegt een bestuurslid van de club.

Geprikkeld

Maar er zijn ook clubs – een minderheid – die hopen dat de storm vanzelf overwaait. Als het vergrijp niet op het eigen sportterrein plaatsvond, of als de overtreder ten tijde van zijn arrestatie elders werkzaam was, betwisten bestuurders of het redelijk is hun club bij het onderzoek van NRC te betrekken.

De voorzitter van een korfbalclub in een klein dorp – hij wil alleen praten als zijn naam en die van de club niet genoemd worden – reageert geprikkeld op de vraag welke maatregelen hij nam nadat een van zijn ex-coaches werd bestraft voor seksuele omgang met een twaalfjarig meisje. Toen de ontuchtzaak in het nieuws kwam, werkte de coach niet meer bij de club, maar hij had het meisje daar wel leren kennen. „Waarom brengt u ons in verband met deze zaak? Wij zijn geen partij. Ik voel mij hier zeer ongemakkelijk bij”, zegt hij.

De voorzitter van een Brabantse turnclub wil niet meewerken omdat zij al met zo’n dertig instanties – onderwijsinstellingen, onderzoeksbureaus, sportbonden en mediabedrijven – heeft gesproken over een zaak waarmee haar vereniging vijf jaar geleden in het nieuws kwam. Het bestuur zette een coach aan de kant die verdacht werd van ontucht met een minderjarige jongen buiten de turnhal. „Het is een belangrijk thema, het is goed dat u er aandacht aan besteedt. Daarom wens ik u veel succes met uw onderzoek.”

Veel clubs zijn bang dat het oprakelen van een pijnlijke zaak voor negatieve publiciteit zorgt. En dus: leden- en inkomstenverlies. ‘Waar rook is, is vuur’, zeggen clubbestuurders tegen onderzoekster Nicolette Schipper-van Veldhoven, als zij hun vraagt of zij grensoverschrijdend gedrag bij een vertrouwenspersoon, meldpunt of sportbond rapporteren. „Ze zijn bang dat hun club in een slecht daglicht komt te staan. Problemen lossen zij bij voorkeur intern op. Dat sterkt mij in het vermoeden dat het om het topje van een ijsberg gaat.”

Bij sportkoepel NOC*NSF, dat jaarlijks zo’n tweehonderd meldingen krijgt gerelateerd aan seksuele intimidatie, herkennen ze de reflex. Een medewerker vertelt dat sportbestuurders het na een misstap van een medewerker vaak bij „een goed gesprek” houden, zeker als het om grensgevallen gaat. Een coach die net iets te vaak de kleedkamer binnenstapt terwijl pupillen zich omkleden. Een masseur die ‘per ongeluk’ het verkeerde lichaamsdeel aanraakt. Op de vraag hoe die gesprekken verlopen, zegt hij: „De bestuurder vraagt de medewerker ‘het nooit meer te doen’. De medewerker belooft plechtig: ja.”

Rustige en betrouwbare hoofdtrainer

Bij drie zwemclubs in Utrecht en omgeving werkte een coach die in 2012 een trainingsverbod en een werkstraf van 120 uur kreeg opgelegd wegens het bezit van kinderporno. De man werd ontmaskerd na een inbraak bij hem thuis. De dief legde zijn computer voor het politiebureau. Op de computer stonden wel foto’s van kinderen in het zwembad, maar ze waren „niet onzedelijk”.

Slechts een van de drie zwemclubs wil praten over de nasleep van Wouter P.’s vergrijp. Voorzitter Nelleke Tilburgs van Zwemvereniging Utrecht zegt dat niets erop wees dat de „rustige en betrouwbare” hoofdtrainer de wet overtrad. Het wedstrijdzwemmen floreerde onder zijn leiding – en werd opgeheven na zijn arrestatie.

Samen met justitie organiseerde Zwemvereniging Utrecht een bijeenkomst waar adolescente leden en ouders vragen konden stellen over de tenlastelegging. „Vooral de kinderen konden het niet geloven”, zegt Tilburgs. „Sommige jongens zeiden: ik ben bij Wouter thuis geweest. Er is niets aan de hand.” Van medebestuursleden die P. na zijn arrestatie nog hebben gesproken, hoorde zij dat hij zich altijd heeft gerealiseerd dat zijn „behoefte niet acceptabel was”. Tilburgs: „Wouter was een heel goede trainer. Toen hij gearresteerd werd wist hij: ik kan nooit meer doen waar ik goed in ben.”

Na zijn veroordeling heeft P. op zijn eigen verzoek nog een gesprek met een bestuurslid gevoerd, bij wijze van rouwverwerking en om „zijn zegje te kunnen doen”. „Maar de prioriteit ligt bij de kinderen en hun ouders”, zegt Tilburgs. „Je moet kunnen zeggen dat je er alles aan hebt gedaan om dit soort gevoelige kwesties bespreekbaar te maken.” De club is „niet constant aan het scheidsrechteren”, zegt zij, maar grensoverschrijdend gedrag komt wel vaak ter sprake. Die aanpak is in lijn met wat sportkoepel NOC*NSF aanbeveelt: wees je bewust van risico’s, leer met een andere blik naar vrijwilligers te kijken.

Affectie voor de verkeerde doelgroep

Verwijten de clubs zichzelf iets? Nee, zeggen ze zonder uitzondering. Er waren geen signalen dat er iets mis was. Hoe kun je in het hoofd kijken van iemand die „affectie heeft voor de verkeerde doelgroep”? Hoe weet je wat medewerkers in hun vrije tijd uitspoken? Meerdere bestuurders tonen – subtiel of minder subtiel – begrip voor de overtreder. Die werkte bijvoorbeeld met meisjes die niet van vrouwen te onderscheiden waren. Of ging een relatie met een minderjarige aan met wederzijds goedvinden. „Volgens de wet deed hij iets wat niet mocht”, zegt een van hen. „Maar het voelt wel dubbel.”

Bij volleybalclub Afas-Leos in Leusden mogen leden tijdens de training geen spaghettibandjes meer dragen sinds de arrestatie van ex-coach Nick B. B. werd afgelopen zomer veroordeeld tot een jaar cel, waarvan de helft voorwaardelijk. Hij had ontucht gepleegd met twee minderjarige pupillen, met een had hij een relatie. „Veel mensen vinden het verbod op spaghettibandjes onzinnig”, vertelt voorzitter Corinne Thielen. „Wij zien het als een manier om seksueel overschrijdend gedrag tussen coach en jeugdlid of tussen jeugdleden onderling te voorkomen. Waarom zou je de kat op het spek binden?”

Net als veel andere clubs ging Afas-Leos het verleden van medewerkers na de arrestatie strenger controleren. De club had de vog al verplicht gesteld voor trainers en coaches, maar eist nu dat álle medewerkers kunnen aantonen dat hun verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van hun functie. Het merendeel van de clubs die NRC benaderde, vindt de vog nuttig, maar plaatst ook kanttekeningen: „Het is een eerste screening, geen honderd procent garantie”, zegt Géra Nieuwenhuis, vertrouwenscontactpersoon van motorbond KNMV.

De KNMV riep de hulp van Nieuwenhuis in na een geruchtmakende zaak in 2012. De toenmalig motorcrossbondscoach misbruikte twee minderjarige pupillen die deel uitmaakten van de vrouwenselectie. Een van hen ging in op de wensen van de bondscoach omdat zij bang was niet geselecteerd te worden. De motorbond besloot ouders en sporters meteen openheid van zaken te geven. „Mogelijk liep het vertrouwen daardoor geen deuk op”, zegt Nieuwenhuis.

Ook bij amateurvoetbalclub Juventa ’12 uit Wierden geloven ze dat transparantie de enige manier is om grensoverschrijdend gedrag uit te bannen. Ex-voorzitter Ewald Blankestijn stond op de skipiste toen hij door media gebeld werd dat toenmalig elftalleider Herman V. verdacht werd van het bezit van kinderporno en ontucht met een 15-jarige jongen. Om „indianenverhalen de kop in te drukken” besloot hij daags na de arrestatie van V. een bijeenkomst met ouders te beleggen. „Wij vertelden alles wat wij wisten”, zegt hij. „Terugkijkend is dat heel belangrijk geweest voor het vertrouwen en de verwerking.”

Dat het slachtoffer geen lid was van de club en bij V. thuis werd misbruikt, vindt Blankestijn niet ter zake doen. „Onze elftalleider ging dagelijks met kinderen om bij de club”, zegt hij. „Ik kan mij heel goed voorstellen dat ouders vragen: is er niets met mijn kind gebeurd? Ook ik dacht toen ik het hoorde: wat heeft hij nog meer uitgespookt?”

Uit de gesprekken met kinderen van het team waar V. contact mee had, en hun ouders, kwam niet naar voren dat clubleden zijn misbruikt. „Maar dat betekent niet dat je met zekerheid kunt stellen dat er niets is gebeurd”, geeft Blankestijn toe. V werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk.

Zwarte lijst

Geen maatregel tegen misbruik in de sport is zaligmakend. First offenders, coaches met een machtspositie of mensen die zich niet bewust zijn dat zij regels overtreden – zoals vaker het geval is blijkens het onderzoek van NRC – zullen zich er niet door laten stoppen. Sportbonden, gemeenten en sportkoepel NOC*NSF zullen er hard aan moeten trekken om misstanden voor te zijn, vinden veel clubs. Sommigen zien „verbeterpunten”. „Wij hebben niet de indruk dat NOC*NSF voor dergelijke incidenten een aanpak klaar heeft liggen waar een vereniging een goede leidraad aan heeft”, zegt een bestuurslid van korfbalclub Dubbel Zes.

Bij motorbond KNMV begrijpen ze niet waarom mensen die zijn veroordeeld voor een vergrijp in de sport niet meteen op de ‘zwarte lijst’ van NOC*NSF worden gezet. Volgens de sportkoepel gebeurt dat niet uit privacyoverwegingen. Wanneer een club geen ruchtbaarheid aan de zaak geeft en het OM de zaak volledig geanonimiseerd houdt, weten ze bij NOC*NSF zelfs van niks. Is de sportkoepel via de pers of andere kanalen wel op de hoogte van een zaak, dan moet het eerst zelf onderzoek doen, waardoor slachtoffers opnieuw geconfronteerd worden met hun vaak traumatische ervaring. NOC*NSF probeert het OM al langer te overtuigen dat het delen van meer gegevens kan leiden tot betere preventie. Beide partijen zijn daarover in gesprek.

Voorzitter Thielen van volleybalclub Afas-Leos betreurt het dat NOC*NSF in gesprekken niet vertelt hoe andere sportverenigingen met misbruikzaken omgaan – zonder ze bij naam te noemen. „Soms leek het alsof wij de enige waren. Je hebt het gevoel: ik sta er alleen voor. Het had mij gerustgesteld als ik had geweten dat andere clubs zo’n heftige ervaring hebben overleefd.”