Zonder anderen

Sommige gedachten zijn overdonderend, en dan heb ik het nog niet eens over hoe het in godsnaam mogelijk is dat we een stapeltje moleculen zijn met bewustzijn (of: een stapeltje moleculen dat denkt dat het bewustzijn heeft). Gisterochtend werd ik geheel uitgerust vóór de wekker wakker (ik stel me voor dat het in de hemel ook zo zal gaan) en lag heerlijk rozig te luisteren naar wat er buiten mijn slaapkamer gebeurde. Op straat hadden wat verslaafden een lachkick, bij de buren hoorde ik het vermalen van koffiebonen. Ik houd van dit soort momenten, je bent in je eentje maar toch niet alleen. Het is gezelschap zonder de nadelen van gezelschap (dat je aardig moet doen, monologen aanhoren, iemands lichaamsgeur verdragen). Wat heerlijk, dacht ik, dat ik zo makkelijk zonder anderen kan bestaan.

Terwijl ik naar het plafond staarde, drong opeens tot me door dat dit helemaal niet waar is. Door dat besef was ik meteen klaarwakker. Na 34 jaar maar wat te hebben aangekloot, zag ik ineens dat alles om me heen is bedacht door anderen. Alleen al mijn plafond! Om de verdiepingen erboven te stutten hebben in een ver verleden tientallen mensen dingen lopen bedenken en uitrekenen zodat mijn huis nu niet instort.

Over iets waarin ik relatief veilig leef hebben generaties mensen geruzied (het duurde eeuwen voor de gulden snede een beetje doordacht was en tientallen jaren voordat men had ontdekt dat asbest eten ongezond is).

Eenmaal in de woonkamer werd het pas echt erg. De ideeën en berekeningen van duizenden mensen hadden uiteindelijk geleid tot de stapel planken, polymeren en stoffen die mijn zitbank vormden. Ik durfde nog niet eens na te denken hoeveel manuren aan hypotheses, testen en oorlogen nodig waren geweest om mijn waterkoker te laten doen wat ’ie altijd doet.

Mijn huis voelde opeens zo overbevolkt dat ik in blinde paniek mijn zus belde. Ze stelde me eerst wat vragen over mijn huidige dosis medicatie en zei toen dat ik het me te veel aantrok.

„Die mensen zijn allang dood. Je plukt gewoon de vruchten van hun interesses.”

Die gedachte stelde me enigszins gerust. Het voelde alweer iets leger in mijn huis. Die avond kwam mijn zus toch maar even langs.

„Het is ook een heftige gedachte”, zei ze, „dat alles om ons heen bedacht is door anderen. Ik was er zelf ook wel even van onder de indruk.” Ze schonk me nog wat thee in.

„Gelukkig heb je er niet bij stil gestaan dat alles wat wij überhaupt denken, feitelijk ook door duizenden vóór ons bedacht is!” zei ze vrolijk.

Ik begon meteen in mijn broekzakken te graaien naar een downer.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.