Column

Muskusratten

Flessenpost

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd naar Princeton, in de VS. Ze bericht wekelijks over wat haar opvalt.

Tijdens het diner kijkt mijn tafelheer John, een rijke, oude industrieel met een slordig geknoopt strikje, op zijn telefoon. „Het zal eens een keer niet zo zijn”, zegt hij. „Altijd spookt hij iets uit.”

Hoewel Johns achternaam Iers is, kwam zijn familie uit Duitsland. Aan het einde van de negentiende eeuw vluchtte zijn vader voor de armoede uit Ierland naar Oost-Pruisen. Hij nam daar een Duitse naam aan. „Op de dag dat de Eerste Wereldoorlog eindigde, zat hij met een volle tank midden op de Atlantische Oceaan.” Zijn vader was duikbootkapitein en de bemanning van de U-Boot besloot door te varen naar Amerika.

Daar werd kleine John geboren, die weer de Ierse achternaam kreeg, midden in de Depressie, in een klein stadje aan de Jersey Shore. Zijn leven was niet gemakkelijk.

„Mijn moeder stierf toen ik twee was en daarna kwam ik bij haar tweelingzus terecht. Maar die stierf een paar jaar later eveneens, en kort daarna ook nog mijn vader. Zo werd ik wees en belandde in een gastgezin in New Jersey – destijds mochten alleen bloedverwanten je adopteren. Deze mensen deden het puur voor het geld. Ze pikten ook het wezenpensioen in dat ik van de staat kreeg.”

Hij kijkt naar zijn vork, waaraan een wortel is geprikt. Ik stel hem voor als klein jongetje, eenzaam, hongerig, haveloos. Totaal los van god en iedereen, zwervend door de desolate moerassen van New Jersey, waar hij als geen ander muskusratten wist te vangen om hun pelzen aan de lokale bonthandelaar te verkopen. Met dat beetje geld kocht hij eten. Iedere klus pakte hij aan. Al snel verdiende hij meer dan zijn gastvader. Het was vlak na de oorlog en als kind van Duitse afkomst werd hij ook nog eens overal met de nek aangekeken.

„Op school leerde ik helemaal niets. Iedereen was arm. Ik had nog nooit een professional ontmoet.” Hij strijkt zijn servet glad. Een keurige miljonair. „Tot op een dag, ik was zestien, het hoofd van de school de klas inloopt en mij meeneemt. Hij vertelde me dat ik in zijn auto moest stappen. We reden naar de universiteit, waar ik me zou gaan aanmelden voor de ingenieursstudie. Ik had geen flauw idee waarover hij het had. De enige engineer die ik kende was de treinmachinist. Deze leraar redde mijn leven. The rest is history. ”

Nu bezit hij vele hightechbedrijven. Helaas hield de narigheid hield niet op. „Ik verloor twee echtgenotes en een dochter”, vertelt hij. Maar hij heeft een grote passie. „Ik neem graag moeilijke kinderen onder mijn hoede Ieder jaar een of twee. Kinderen die zijn zoals ik was: nergens goed voor, altijd in de problemen met de politie. Ik schrik er niet van, integendeel, ik herken dat maar al te goed. Ik leer ze te leren en help ze met de aanmelding op de universiteit. Meestal betaal ik ook de hele studie. En ik blijf ze ondersteunen, wat ze ook gaan doen. Zo’n zesentwintig heb ik er al gehad.”

„Wat drijft je?”, vraag ik.

„Ik wil teruggeven wat ik zelf gekregen heb”, zegt hij. „Een verschil maken in het leven van deze kinderen.”

Hij kijkt weer op zijn telefoon. „Ik moet ingrijpen”, zegt hij, terwijl hij zijn vork neerlegt en opstaat. „Ik geef niet op, zelfs als zij dat zelf wel doen. Mislukken sta ik eenvoudigweg niet toe. Daar ken ik deze kinderen veel te goed voor.”

Reacties naar pdejong@ias.edu