Kampers willen geen pottenkijkers

Woonwagenkamp

Iedereen reed maar door het kamp – „apies kijken”. Drie bewoners staan voor de rechter. Ze zouden ‘hun’ straat hebben opgebroken.

Jan en Leida Hoekstra (en hondje Messi) bij hun woonwagen. Foto Bram Petraeus

Een „accident waiting to happen”. De advocaat kan het niet anders verwoorden. Op het beklaagdenbankje zitten drie bewoners van een woonwagenkamp in Zwolle. Ze worden ervan verdacht de straat bij hun wagens te hebben opgebroken. „Maar dat hebben we niet gedaan”, zegt een van hen tegen de rechter. „Geloof mij: als ik het gedaan zou hebben, zou ik het gewoon trots toegeven.” De anderen knikken.

Die straat, die ligt in de Zwolse buitenwijk Stadshagen. Een paar kavels liggen braak. Verder staan er rijen Vinex-woningen – de afgelopen paar jaar verrezen – en gezinsauto’s voor de deur. Bordjes voor enkele huizen: ‘Anna’, staat op een gefiguurzaagde kinderwagen, in de tuin ernaast ‘Yenthe’.

En precies in het midden van deze wijk staat een nederzetting van zestien woonwagens. Met hoge witte hekken voor de garages en honden die er naar elkaar blaffen. Bestelbusjes staan schots en scheef op de stoep geparkeerd. Naast een van de woonwagens staat een zwarte Jaguar, naast een andere een overdekte sloep.

„Wij wonen hier al zeventien jaar”, zegt Jan Hoekstra (61). Hij zit aan tafel in de woonkamer van zijn woonwagen, met zijn zoons Tinus (32) en Louis (29) en vrouw Leida – „ook 29”, zegt ze schaterlachend. Dochter Elaisa (20) zit op het hoogpolige tapijt met haar baby Jantje. „Al zeventien jaar”, zegt Jan, „en nou ineens moeten wij ons gaan aanpassen?”

De familie Hoekstra is vaak thuis: Jan, Leida en Louis hebben een uitkering. Elaisa is huismoeder, Tinus heeft als enige een baan, in de autohandel. Wie zonder reden over het kamp loopt te dwalen, krijgt al snel met een familielid te maken. „Dan vragen we wat diegene hier doet”, zegt Elaisa. Leida voegt toe: „En of diegene misschien weg wil gaan.”

Ineens een heel dorp

Bij de familie Hoekstra zijn ze allemaal „jongens van het kamp”. Toen ze in Stadshagen kwamen wonen, was er nog niet veel bebouwing. De gemeente had verteld „dat er een of twee rijtjes huizen gebouwd zouden worden”, vertelt Jan.

„Twee jaar geleden moest ik even een paar maanden de bak in, kwam ik terug, stond hier ineens een heel dorp om het park heen.”

En met dat ‘dorp’ kwam het verkeer. De Cascadestraat die door het kamp loopt – „onze straat”, zeggen de bewoners – is de afgelopen jaren belangrijker geworden voor het verkeer in de wijk. „Ze rijden hier met honderd langs ’s ochtends”, zegt Louis. Tinus: „En in het weekend is het apies kijken. Dan komen ze met z’n allen loeren bij de criminelen.” „Maar ze blijven wel in de auto zitten hoor”, zegt Louis. „Het is een beetje bang apies kijken.”

Meermaals heeft de familie de gemeente gevraagd om afsluiting van de weg. „Voor meer privacy”, zegt Leida. Kampers zijn gewend aan een „vrije omgeving”, vertelt de familie. Aan een „eigen straat”, waar ze kunnen doen en laten wat ze willen. Ze willen paaltjes op de hoek, een wegversperring. Maar die krijgen ze niet.

De gemeente legt uit waarom afsluiting geen optie is: „Zwolle groeit en daardoor verandert in veel wijken de omgeving. Dat vinden sommige bewoners vervelend, maar openbare wegen blijven openbare wegen. Wat dat betreft kunnen wij geen uitzonderingen maken voor het woonwagenkamp.” Wel is met de bewoners gesproken over bijvoorbeeld drempels aan begin en eind van de straat. „Maar ze lijken alleen akkoord te willen gaan met een echte afsluiting.”

Daarom besloten Jan, Louis en Tinus op de avond van die 31ste oktober zelf de stenen maar uit de straat te halen. Stratenmakers waren eerder op de dag bezig geweest de straat opnieuw te leggen, dus echt vast zaten de klinkers toch al niet. Jan begon met het verplaatsen van de borden, Louis en Tinus haalden de keien eruit. Eerst met de hand, later met een koevoet. Twee andere kampbewoners kwamen te hulp. Althans, dat is de versie van het Openbaar Ministerie.

Honderd meter verderop stonden twee agenten door een verrekijker toe te kijken. Niet veel later kwamen politieauto’s de Cascadestraat op. Jan, Louis en Tinus, de twee bewoners die te hulp schoten – allemaal zijn ze opgepakt.

In de Vinex-wijk zijn ze „voorzichtig” met uitlatingen over het woonwagenkamp, vertelt een jonge vrouw vanuit de deuropening. „We horen weleens verhalen, over drugs en criminaliteit. We willen er zo min mogelijk mee te maken hebben”, zegt ze. „We laten die mensen gewoon met rust”, zegt een man die een auto uitlaadt, „en zij ons”.

Natuurlijk, dat met die stenen is bekend. „De hele weg was onbegaanbaar geworden”, vertelt een vrouw die haar hond uitlaat. „En de stratenmakers voelden zich bedreigd. Toen ze een paar dagen later de stenen terugplaatsten, moest de politie erbij zijn.” Volgens de gemeente heeft het voorval zo’n 500 euro aan schade en dubbel werk gekost.

Voetbalgeweld

Bij de rechter hebben Tinus, Louis en Jan deze vrijdag een ander verhaal. Volgens hen lagen de stenen er simpelweg uit omdat de stratenmakers nog niet klaar waren, en stonden zij er toevallig naast toen de politie kwam. Tinus erkent op de zitting dat hij met een koevoet rondliep, „maar dat betekent niet dat ik ook keien heb gelicht”. Hun vaste advocaat pleit voor vrijspraak.

De strafbladen van de familie Hoekstra zijn „indrukwekkend”, in de woorden van de officier – „en dan bedoel ik in negatieve zin”. Dat van Jan telt negen pagina’s, dat van Tinus dertien, dat van Louis is veertien bladzijden dik. Het betreft vooral overtredingen van de opiumwet. Tinus heeft nog een zaak van voetbalgeweld openstaan.

Maar ditmaal loopt de zaak voor de familie Hoekstra met een sisser af. De politie heeft summier bewijs geleverd, vindt de politierechter. Ooggetuigen die 120 meter verderop staan, blijken niet voldoende om mee te gaan met de eis van het Openbaar Ministerie. Dat vroeg om boetes: 750 euro per persoon.

Maar de familie Hoekstra wordt vrijgesproken. „De rechter behandelt ons gelukkig gewoon als normale mensen”, zegt Jan daarna. „Nu de gemeente nog.”