Interview

Minister Bussemaker: ‘Het was een ravage toen ik begon’

Jet Bussemaker , minister van cultuur

Na vier jaar ministerschap kijkt Jet Bussemaker vooruit naar de toekomst van cultuur en subsidies. Wel goed en toch geen geld, dat mag niet. „Cultuur is een publieke taak, laten we daar niet omheen draaien.”

Jet Bussemaker. Foto Merlijn Doomernik

Ze had ons uitgenodigd voor een vraaggesprek in haar werkkamer op het ministerie, om te praten over hoe het verder moet over vier jaar, na afloop van de huidige subsidieperiode. Er is grote druk vanuit de cultuurwereld om de verdeling van overheidssubsidies aan musea, orkesten en gezelschappen drastisch te veranderen. Moeten steden en provincies meer invloed krijgen? Kan er meer zekerheid komen voor culturele instellingen?

Dus lag het voor de hand dat wij een artikel meenamen dat vorige week donderdag verscheen in NRC. Daarin viel te lezen hoe een Haags danstheater, Korzo, de afgelopen jaren „vele honderden uren” stopte in het aanvragen van subsidies. Die aanvragen werden soms afgewezen ondanks een positief oordeel over artistieke kwaliteit, bezoekcijfers en ondernemerschap: er was gewoon niet genoeg geld.

We zijn niet de enigen die wat van dit soort feiten op een rij hebben gezet. Ook Jet Bussemaker zelf, Cultuurminister sinds 5 november 2012, heeft een kleine notitie voor zich liggen. Ze had onze vragen verwacht. In het verkiezingsprogramma van de PvdA, haar partij, staat dat er in de volgende kabinetsperiode voor kunst en cultuur 100 miljoen euro extra moet komen. Opmerkelijk. Haar voorganger, Halbe Zijlstra, bezuinigde 200 miljoen euro, dit kabinet draaide dat maar ten dele terug. Is zij het eens met die 100 miljoen euro? En zo ja: is dat dan niet achteraf de erkenning dat er onder haar ministerschap te weinig geld beschikbaar was?

Maatwerk

Eerst Korzo. Minister Bussemaker: „Ik snap de frustratie. En ja, daar zitten voor ons een paar lessen voor de toekomst in. De eerste is: hoe kun je meer maatwerk creëren. Je wilt niet dat mensen, juist mensen in de culturele sector, mensen die kunst moeten maken, alleen maar bezig zijn met papieren vol schrijven. Het Nationale Toneel, het Rijksmuseum: zulke grotere instellingen hebben daar mensen voor, de kleinere niet. En, tweede les: gezelschappen die positief worden beoordeeld, horen daar wat voor terug te krijgen. Een lijst ‘positief, toch afgewezen’ zou niet meer moeten bestaan.”

Korzo gaf NRC een kijkje in het subsidiedossier. Lees: Duizenden uren subsidie aanvragen

Gelukkig, zegt ze, heeft ze daar wat aan kunnen doen, „met de middelen die ik met veel pijn en moeite heb gevonden”. Er kwam extra geld, soms voor vier jaar, soms voor een jaar. Orkater (dat de helft van zijn subsidie dreigde kwijt te raken), Suburbia, Bellevue, Korzo: ze kregen op het nippertje voor een jaar subsidie, om te overleven tot er een volgend kabinet is. Dat misschien meer geld in cultuur investeert.

Maar zijn haar reparaties genoeg geweest? Bussemaker: „Weet je, in een tijd waarin het economisch erg moeilijk was, waarin we als kabinet 50, 60 miljard hebben omgebogen, heb ik er voor kunst en cultuur toch bijna 30 miljoen bij kunnen doen.” En, pakt ze de notitie: „Ik heb nog even uitgezocht wat we nog meer gedaan hebben, we zouden het bijna vergeten: 20miljoen voor de film, geld voor cultuureducatie, geld voor muziekonderwijs, geld voor het Eye Filmmuseum.”

En die 100 miljoen van de PvdA? „Met mijn berekening kom ik al een eind in die richting. Maar inderdaad, er moet geld bij. En die 100 miljoen vind ik een heel mooi bedrag.”

De bezuinigingen zijn voor een groot deel bij de makers terechtgekomen.

Want anders? „Kijk, toen ik begon trof ik een ravage aan. Mensen in de cultuursector voelden zich geschoffeerd door de woorden die toen waren gebruikt, alsof ze in de goot waren gedumpt. Ik besef dat je met een andere toon niet alles verandert, maar ik denk wel dat het hielp. En dat er weer een weg omhoog is gevonden: meer zelfvertrouwen, nieuwe initiatieven. Tegelijk is er nog veel kwetsbaarheid: instellingen die interen op hun reserves, mensen die zijn ontslagen en die nu werken op flexcontracten, mensen die te weinig betaald krijgen voor wat ze doen, orkesten die vaker optreden maar hun musici minder betalen, gezelschappen die bewijzen dat ze goed zijn maar toch geen geld krijgen.”

Extra geld nodig

Joop Daalmeijer, zeggen wij, stelde bij zijn vertrek als voorzitter van de Raad voor Cultuur dat er „alleen al geld bij moet” om te zorgen dat culturele instellingen hun mensen „weer fatsoenlijk betalen”. Vindt de minister dat ook?

Lees het afscheidsinterview met Joop Daalmeijer: ‘Ik schrok hoe verzuurd de Raad voor Cultuur was’

Bussemaker: „Ja, daar ben ik het mee eens. Instellingen moeten goed werkgeverschap betonen. En dat kost geld dat ze nu niet hebben: de bezuinigingen zijn voor een groot deel bij de makers terechtgekomen. Halbe Zijlstra, mijn voorganger, had ook minder aandacht voor talentontwikkeling, dat heb ik niet voor niks tot een prioriteit gemaakt. Dus ja: als je die weg omhoog wilt vasthouden, is er er extra geld nodig. Stel dat er in plaats daarvan opnieuw een ronde van bezuinigingen zou komen, dan zou je alles kwijtraken wat we nu met pijn en moeite overeind hebben weten te houden.”

Een toekomstbestendig cultuurbeleid: zo noemt Jet Bussemaker het in het persbericht dat deze maandag wordt verstuurd, en waarin staat dat ze de komende tijd wil uitzoeken hoe dat beleid er over vier jaar uit moet zien. Door te praten met met andere overheden die kunst en cultuur subsidiëren, maar ook met kunstenaars, instellingen en publiek. En door advies te vragen: is er een andere, betere vorm van samenwerking en afstemming mogelijk tussen rijk, provincies en gemeenten?

Wat staat u voor ogen?

„Als je wilt dat er nieuw publiek wordt bereikt, dan moeten culturele organisaties zich maatschappelijk engageren. Dan moeten ze ingebed zijn in een gemeenschap, verbonden zijn met de stad of de regio waarin ze thuishoren. In gesprekken met gezelschappen hoor ik soms dat die regionale omgeving niet vreselijk in ze is geïnteresseerd. Ze zouden willen, zeggen ze dan, dat die vaker een beroep op ze deed. Om mee te denken met, ik noem maar wat, gelijke kansen in het onderwijs, of economische versterking van de regio.”

Wilt u steden meer invloed geven op wat culturele instellingen doen?

„Wat ik in elk geval niet wil is: geef het geld maar aan de steden want die weten het beste hoe dat moet worden besteed. Ik ben als de dood dat als je het alleen aan de regio’s overlaat, die allemaal het beste van alles willen hebben: het beste orkest, het beste poppodium, het beste weet ik veel wat. Dan gaat elke regio precies hetzelfde doen. Je ziet ook wat er gebeurt als we als overheid ergens geen grip op hebben: dan worden er bijvoorbeeld te veel theaters gebouwd. En probeert iedereen die vervolgens vol te krijgen met steeds dezelfde groepen, omdat die het meeste geld in het laatje brengen. Terwijl niemand nog iets doet voor het onbekende repertoire.”

Dus niet langer: elke regio zijn eigen orkest en zijn eigen gezelschap?

„Dat is natuurlijk wat er moet veranderen. Ik denk dat we het er wel over eens zijn dat cultuur voor iedereen toegankelijk moet zijn. Maar dat hoeft zich niet altijd te uiten in de standplaats van een gezelschap.”

Wat ik in elk geval niet wil is: geef het geld maar aan de steden want die weten het beste hoe dat moet worden besteed.

Dus: als je een orkest wilt, dan moet je ook meebetalen? Er is nu nog veel verschil in de eigen bijdragen aan kunst en cultuur van steden en provincies.

„Je moet natuurlijk rekening houden met wat een regio aankan. Maar een regio die zelf zegt: wij willen investeren, die moet zich gesteund voelen door het rijk. Hoe je daar verstandig mee omgaat moeten we nu onderzoeken. Want het is ingewikkeld: je wilt niet dat als regio’s veel doen, ze daarvoor worden gestraft doordat wij denken dat we ze dan wel wat minder geld kunnen geven. En omgekeerd, dat als zij niks doen ook wij onze handen ervan aftrekken, zodat er op een gegeven moment in zo’n regio helemaal niks meer is.”

En dat nieuwe publiek?

„Ja, ik hoop dus dat het onderzoek ook helpt om na te denken over publieksbereik. Wanneer ergens een zaal altijd halfvol zit, is het de vraag of je het op de goede manier doet.”

Zijn er voorbeelden van regio’s die het goed aanpakken?

„Zeker. Vorige week heb ik een convenant gesloten met de provincies en steden in het noorden, die het plan We the North hebben geschreven. Daar staat in dat de steden daar verschillende accenten gaan leggen, dat als de ene stad een groot poppodium wil hebben, de andere steden dat niet ook moeten willen. Ik vind ook Brabantstad interessant, de samenwerking van de Brabantse steden. Die waren eerst geshockeerd dat ze niet de Nederlandse Europese Culturele Hoofdstad in 2018 werden. Dat hebben ze goed opgepakt, door nu toch samen als eenheid verder op te trekken. Ik denk dat veel regio’s de noodzaak van samenwerking voelen, omdat ze te maken hebben met krimp van de bevolking.”

Meer subsidie voor We the North en Brabantstad, minder voor de Randstad?

„Ik vind het verkeerd om te kijken hoeveel geld er precies van het rijk naar welke provincie gaat. Er zijn instellingen die een groot deel van de subsidie krijgen en die we niet kunnen verplaatsen. Het Rijksmuseum bijvoorbeeld, waar mensen uit het hele land naar toe komen. En we hebben maar geld voor, en behoefte aan, één Nationale Opera. Dus regio’s moeten goed kijken wat ze zelf te bieden hebben en elkaar helpen om dat overeind te houden. En daarvoor hoeven ze dan niet per se de standplaats voor een gezelschap te zijn. Het Nationale Toneel nestelt zich nu enkele weken per jaar in Heerlen. Het Concertgebouworkest speelt er ook elk jaar een paar keer. Dat vind ik mooi.”

Verhelpt ‘minder subsidies naar de Randstad’ niet de klacht dat subsidies alleen gaan naar de elite in de Grachtengordel?

„Ik hoop dat een nieuw subsidiestelsel gezelschappen en makers stimuleert om op allerlei plekken in het land een verbinding aan te gaan met publiek dat niet gewend is naar theater of muziek te gaan. Niet door als vreemde indringers hun kunst te doen. Maar bijvoorbeeld zoals dat nu gebeurt in Friesland, waar ze zich verbinden met landschappelijke ontwikkeling en met de positie van boeren.”

En de inkomsten? Zijn gezelschappen door de bezuinigingen niet gedwongen om vooral geld te verdienen aan hun publiek? Van een stijging in sponsoring of giften moesten ze het niet hebben, de afgelopen vier jaar.

„Ja, we moeten erkennen dat het alleen sommige topinstellingen lukt om meer geld van sponsors aan te trekken. Voor anderen is het bijna onmogelijk gebleken fondsen uit de particuliere sector te werven. En dat gaat er ook niet van komen. Cultuur is een publieke taak, laten we daar niet omheen draaien.”