Column

Minister Bertje

Een rode dubbeldekker vol PvdA-prominenten stopte zaterdag in de Kanaalstraat in de Utrechtse wijk Lombok. Ze rolden er allemaal uit, de armen vol rozen. Lijsttrekker Lodewijk voorop. Minister Bert Koenders van Buitenlandse Zaken zag bijna alle pers achter de lijsttrekker aangaan en riep tegen wat overgebleven kladblokken dat hij bij „het Turkse bakkertje” naar binnen ging.

„Ik duik hier even naar binnen, jongens!”

Ik sjokte als enige achter hem aan. Hij was net als ik in Arnhem geboren, ze noemen hem daar ‘Bertje’.

Hij ging eerst door de etalage van ‘Bakkerij Lombok’ naar binnen kijken.

„Schitterend”, zei hij. Ik keek ook: twee bakkers, twee klanten en rekken vol broden.

„Campagne voeren is hartstikke leuk!” zei hij en hij gooide de deur open. Hij maakte tijdens de handeling nog een grapje, iets in de trant van „Haha, twee Ernemmers bij een bakkertje in Utrecht”.

„Hahaha”, zei ik, want ik lach graag met de mensen mee. Hij schraapte de keel.

„Heren, mag ik u verblijden met een prachtige roos?”

Een man in een kaftan stak de hand uit, één van de bakkers daarna ook.

„En kijkt u eens, alsjeblieft! Wel PvdA stemmen, hè?”

Antwoord: „Ja-ja.”

Hij keek naar mij, de blik in de ogen zei: zo leuk is campagne voeren dus. Hij snoof nadrukkelijk de lucht op – „lekker brood, zeg!” – en stevende wat overmoedig op een jongen met een baardje af. Hij toverde een roos tevoorschijn uit zijn bos.

Na het warme bad kreeg hij een koude douche.

De jongen schreeuwde hem een heel verhaal in het gezicht. Over dat hij was aangehouden door de politie omdat ze dachten dat hij een Syriër was en over kut-politici en dat het hele land naar de klote ging.

Bert Koenders: „Nou, nou…”

De jongen liet zijn rechtervoet zien, er zat verband omheen.

„Ik zit al tien maanden te wachten op een operatie? Waarom dan? Waarom betaal ik eigenlijk premie in dit land?”

Bert Koenders: „Om aan je voet geholpen te worden?”

De jongen: „O, begin je het ook een beetje te snappen, vriend?”

Daar stond hij dan met die arm vol rozen. Hij wilde eigenlijk wel weer weg bij het Turkse bakkertje, dit vrat tijd, waar waren de anderen inmiddels? Er was nog maar één uitweg, ik was de uitweg. Ik zag hem veranderen van ‘minister’ naar ‘Bertje’.

„Jij wilde mij ook nog wat vragen, toch? Proat je nog een bietje Ernems?”

Daarna: „Wat vind jij leuk aan Arnhem?”

Ik zei dat ik het zo leuk vond dat de mensen er zo negatief waren.

Ja, dat vond hij ook leuk.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.