Column

Te veel persoonlijk drama, amper zicht op de oorzaken

Haagse Invloeden

Deze week: de vier kwalen onder de Teevendeal-crises.

Ofwel: kan het debat eindelijk eens over méér dan alleen personen gaan?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Tot zover Ard van der Steur. Uiteindelijk trad hij donderdag af, keurig in de Kamer, zoals dat hoort, en zoals dat nog zelden gebeurt.

Nu maar hopen dat we niet weer in zo’n ophitserig sfeertje terechtkomen alsof deze man voortaan geen recht meer heeft op een openbare functie. Of voor altijd van wachtgeld moet afzien.

Hij was geen erg goede minister van geen erg goed ministerie. Het was beter dat hij vertrok, voor iedereen. Maar de man diende de publieke zaak, hij was geen misdadiger, en er komt bij: na alle debatten over die Teevendeal, met alle crises die eruit voortkwamen, kan het geen kwaad als de politiek zich afvraagt wat de structurele oorzaken zijn van deze opeenstapeling van vallende VVD’ers.

Je kunt zeggen: die liggen bij de VVD. Voor een deel is dat waar. Maar voor een groter deel spelen hier fundamentelere factoren, die in de Kamer hooguit zijdelings aan de orde kwamen. Ik zie er vier, ik zal ze hieronder aflopen.

Structuurdiscussies trekken minder aandacht dan smeuïge verhalen over bewindslieden op weg naar de uitgang – ik weet het. Maar niet alle politiek is persoonlijk, en persoonlijke politiek is niet alles.

Om te beginnen zou het goed zijn als beleidsmakers na dit debacle hun dubbelzinnige omgang met misdaadbestrijding onder ogen komen. Misdaadbestrijding vinden zij al jaren enorm belangrijk, ‘een hoge prioriteit’, maar laat ik het zo zeggen: bewindslieden en Kamerleden weten telkens uitstekend afstand te houden van het vuile werk zelf.

De samenvoeging van politie en justitie onder één bestuurlijk dak, vertellen insiders al jaren, heeft organisatorisch nooit gewerkt

Fred Teeven niet: hij was een durfal die vanaf de jaren negentig, als officier van justitie in Amsterdam, de grenzen opzocht. Hij had contacten in het milieu om mensen uit het milieu veroordeeld te krijgen. Dit maakte hem niet populair in het milieu, en beschuldigingen aan zijn adres zijn er vaak geweest.

De bottomline: Teeven wist vooraanstaande criminelen veroordeeld te krijgen, en nooit is bewijs geleverd dat hij aan de verkeerde kant stond. Ook niet inzake de omstreden overeenkomst die hij in 2000 sloot met crimineel Cees H., waarbij de laatste 4,7 miljoen gulden ontving.

En altijd is er in dit soort overeenkomsten het dilemma van geheimhouding: criminelen die uit angst voor de kogel eisen dat nooit bekend wordt welke informatie ze precies met Justitie deelden. Dus is er ook altijd het dilemma dat politie- en justitiemensen die zo’n deal sluiten, niet alles kunnen vertellen.

Die houding nam Teeven evengoed in, al was hij inmiddels staatssecretaris. En als de politiek, of onderzoekers namens de politiek, dit zwijgen niet acceptabel vinden, zeggen ze natuurlijk eigenlijk ook dat het idee van deals met criminelen onacceptabel is.

Maar die invalshoek heb ik de laatste twee jaar in geen van de Teevendeal-debatten voorbij horen komen. Dat is kwaal één: wel veel bezwaren in de Kamer tegen het incident, geen debat over de dubbelzinnigheid die dit soort incidenten creëert.

De tweede kwaal: het ministerie van Veiligheid en Justitie dat in 2010 op initiatief van de VVD werd gevormd, geleid door achtereenvolgens de VVD’ers Opstelten en Van der Steur, blijkt domweg een onbeheersbaar apparaat.

De samenvoeging van politie en justitie onder één bestuurlijk dak, vertellen insiders al jaren, heeft organisatorisch nooit gewerkt. Onder de vorming van dit ministerie lag het idee dat politie- en justitiemensen beter werk zouden leveren als ze centraal worden aangestuurd.

Alleen: centrale aansturing creëert voor bestuurders een overzichtelijke werkelijkheid, maar niet voor agenten in Diemen of Druten.

En de aanhoudende scoops van Nieuwsuur over die Teevendeal leerden niet alleen dat die deal onder druk geen stand hield, maar ook dat het ministerie zelf er niet tegen bestand was: een moloch zonder open communicatie en zonder incasseringsvermogen voor kritiek.

Over Van der Steur hoorde ik uit ambtelijke contacten bovendien dat hij zijn gezag vlot verloor, mede omdat hij intern liet merken dat er te veel op hem afkwam, waardoor ambtenaren met eigen ogen zagen dat de minister, aldus een hoge ambtenaar, „niet in control” was.

Ergo: de Kamer kon de minister met recht verwijten dat hij en zijn voorganger inzake de Teevendeal geregeld slechte of verkeerde informatie gaf. Maar de Kamer, en vooral de VVD, had zich evengoed de vraag kunnen stellen: hebben wij niet een ministerie gecreëerd waarvan elke minister moeite zou hebben goede en complete informatie uit het apparaat te halen?

Het is erger. De grootste fout die aan de vorming van VenJ ten grondslag lag – derde kwaal – is het achterhaalde idee dat grootschaligheid werkt bij de overheid. Om het minder diplomatiek te zeggen: hoe blind kun je zijn?

Ervaren Haagse topambtenaren kunnen je vertellen dat zij onder elkaar al langer constateren dat het geen toeval meer kan zijn: uitgerekend de grootste organisaties – Belastingdienst, Defensie, NS – kampen semi-permanent met het beheer van hun informatiestromen.

Burgers worden kritischer, de transparantiebehoefte groeit, er is meer interne informatie beschikbaar, en het gevolg, aldus die topambtenaren, is dat in deze organisaties de data niet beschikbaar komen als ze nodig zijn.

Zo past die hele Teevendealgeschiedenis ook in het gevecht tussen feiten en fictie

Tegen deze achtergrond is het helemaal curieus dat de Kamer in 2011 unaniem instemde met de vorming van de Nationale Politie, als onderdeel van het nieuwe VenJ: 26 korpsen teruggebracht tot één korps, met 60.000 man personeel.

Los van andere sores – schandaal ondernemingsraad, kostenoverschrijdingen – kampt de politie, nu de grootste werkgever van het land, overduidelijk met dezelfde grootschaligheidsblues als de Belastingdienst, de NS en Defensie: overvloedig veel informatie voor de dienstleiding, zodat te vaak onhelder blijft welke de cruciale informatie is.

De zwakke afhandeling van de Teevendeal-crises werd kortom mede veroorzaakt door een onbeheersbaar log apparaat dat de Kamer zelf in het leven riep.

Daarbij was het volmaakt logisch – vierde kwaal – dat VenJ door die telkens terugkerende mediadruk in de wereld van de alternatieve feiten belandde. De bijna-feiten, de feitenvrijheid: het liep vanaf het begin als een rode draad door deze hele geschiedenis heen.

Het raakt aan een belangrijk bij-effect voor grote overheidsorganisaties met informatieovervloed: zij staan voor de verleiding hun feiten te bewerken zodat ze mooier lijken dan ze zijn.

Op zichzelf is dit niets nieuws: spinners en PR-figuren bestaan in Den Haag al sinds de jaren zestig. Wat wel nieuw is, is dat de verhoudingen veranderd zijn: tegenover de groeiende elektronische feitenberg staat een journalistiek die krimpt en een burgerij die steeds vaardiger wordt in zelfstandige selectie en analyse van feiten.

Zo past die hele Teevendealgeschiedenis ook in het gevecht tussen feiten en fictie dat een steeds groter deel van het openbare debat uitmaakt: ontken in een persbericht evidenties, en speculeer erop dat journalisten, overvoerd als ze zijn, het woord van de één tegen het woord van de andere niet als nieuws bestempelen. Nepvoorlichting.

En ook hier geldt: één foutief persbericht is in deze zaak weliswaar uitvoerig door de Kamer besproken, maar de structuurzwakte – de kans dat de geschiedenis zich herhaalt – is in stand gebleven.

Ik wil niet de somberaar uithangen. Tussentijds vertrekkende bewindslieden brengen altijd een schok in een apparaat teweeg. Na het vertrek van Opstelten begon VenJ al aan een omvangrijk veranderprogramma. Vooruitgang bestaat.

Maar wat blijft: goed bestuur en goede politiek horen niet alleen te gaan om bewindslieden die vertrekken. Zij behoren niet alleen te gaan om het persoonlijke drama’s.

Zij behoren vooral te gaan om organisatorische en principiële zwaktes die deze drama’s veroorzaken. Dat is de les waarvan ik na donderdag dacht: is die deze week geleerd?