‘Rafelranddokter’ zwaait na 40 jaar af

Huisarts Staatsliedenbuurt

Een dwarsdoorsnede van de Amsterdamse bevolking was het, de bezoekers aan de 40-jarige huisartsenpraktijk van Douwe de Vries. Hij schreef er een boekje over.

Wouter de Vries: „Ik ben gewoon een dorpsdokter gebleven.” Foto Pieter de Vries (uit het boek ‘Uit de praktijk’)

Op pagina 40 van het boek Uit de praktijk blijft de blik van voormalig huisarts Douwe de Vries uit de Staatsliedenbuurt hangen bij een foto van een bebrilde vrouw met hoofddoek. De vrouw, een oud-patiënt van hem, is inmiddels overleden. „Deze vrouw was als een zusje voor me. Toen ik tijdens haar ziekbed een weekje op vakantie ging, had ik het gevoel dat ik haar in de steek liet.”

Zo was huisarts Douwe de Vries: meelevend, oprecht en geïnteresseerd in het welzijn van zijn patiënten. Veertig jaar werkte De Vries – geboren in een Fries dorpje, op 18-jarige leeftijd verhuisd naar Amsterdam – als huisarts. Een paar weken terug ging hij met pensioen. „Veertig was genoeg. Huisarts is een heel zwaar beroep.” Of, zoals hij in zijn boek schrijft: „De huisarts is de poortwachter tot de gezondheidszorg, de spin in het web, een duizendpoot, een megalomane en omnipotente welzijnswerker.”

In vier decennia zag hij veel veranderen in zijn praktijk. Zo werden zijn patiënten een stuk mondiger en is euthanasie steeds vaker onderwerp van gesprek. Vóór het jaar 2000 „deed” hij één keer in de twee, drie jaar een euthanasiegeval, zegt hij; in 2016 waren er drie euthanasiegevallen in zijn praktijk. En: patiënten beginnen er steeds eerder over. „De discussie komt meteen op tafel. Ze brengen het al bij het kennismakingsgesprek ter sprake en zien het als hun verzekeringspolis.” Patiënten „hopen zo de ellende te voorkomen”, zegt De Vries. „ Ik begrijp wel dat ze dat doen. Maar het is heel intensief. Echt heftig.”

In Uit de praktijk staan foto’s van oud-patiënten, gemaakt door zijn broer Pieter – de tekstjes schreef hij zelf. Bij het samenstellen bleek hoe populair de huisarts was; voorzichtig polste hij bij honderd patiënten of ze wilden poseren: iedereen deed mee. Het boek vormt een fraaie afspiegeling van het patiëntenbestand van een huisarts in de Staatsliedenbuurt: jong-oud, rijk-arm, wit-zwart, boven- en onderklasse. In zijn tekstjes schetst hij in sobere maar aantrekkelijke stijl de meest opzienbarende, ontroerende of juist ‘gewone’ dagelijkse belevenissen uit zijn werkzame leven. Over prioriteiten stellen (de man met last van zweetvoeten die ‘toch in de buurt’ was en per direct geholpen wenst te worden), over „medische beunhazerij en bakerpraat”, het ‘Kleedt u zich maar even uit’, of klaaggedrag, dat de arts soms tot wanhoop drijft. Over fietsende ouders met kleine kinderen achterop zonder bescherming tegen de ronddraaiende spaken, of met kinderen die op de bagagedrager van hun ouders staan: „Lekker stoer, maar levensgevaarlijk in het drukke stadsverkeer. Bedenken ouders niet hoe ernstig het (hersen)letsel kan zijn bij een onverhoedse manoeuvre? Ik word hier verdrietig van, en ook boos.” Of over die keer dat een patiënte de huisarts probeerde te verleiden: „Bij de deur vroeg ze of ik mijn shawl niet kon laten liggen, dan had ik een reden om binnenkort nog eens voor een glaasje wijn langs te komen.” Ook: „Een van de merkwaardigste bekrachtigers van het gepresenteerde leed vind ik wel de uitroep dat de dokter ‘zelf maar eens zou moeten voelen wat de patiënt te verdragen heeft’.” Tienduizend patiënten zag hij in zijn spreekuur voorbij komen, rekent hij voor. Jaarlijks overleden twintig tot dertig mensen.

‘Verloederd troepje’

In 1976 kocht hij een compleet pand aan de Nassaukade, waar hij 27 jaar zijn praktijk runde; de eerste jaren te midden van junkies en krakers. „Ja, het was een verloederd troepje in die tijd.” Nu is het wat meer veryupt, zegt hij droog. In die tijd schonk de buurt hem de naam „drugsdokter” en de „krakersdokter”, omdat die twee groepen goed vertegenwoordigd waren in zijn kaartenbakje. Probleem: „Die mensen verdwenen ook zomaar. Mijn patiëntenbestand daalde in no time van 2.000 naar 1.200. Maar dat trok later gelukkig weer bij.”

Hoewel zijn recente patiëntenbestand inmiddels meer een dwarsdoorsnede van de samenleving vormde, zag De Vries zichzelf toch nog steeds als „de rafelranddokter”. „De gewone burgerman is voorspelbaar en saai. Het fascineert me om te achterhalen waarom iemand het spoor bijster raakt.” Is zijn eigen rol in al die jaren ook veranderd? „Nee, ik ben gewoon een dorpsdokter gebleven.”

De gewone burgerman is voorspelbaar en saai. Het fascineert me om te achterhalen waarom iemand het spoor bijster raakt

Toch: de huisarts kwam nog dichter bij zijn patiënten te staan. Waar hij voorheen steevast uitvaarten van patiënten meed, kwam daar de laatste tien jaar verandering in. De Vries: „Het voelde gewoon raar: zo nauw betrokken zijn bij het proces richting de dood van een patiënt, maar dan niet naar de begrafenis gaan.”

Sommige patiënten komt hij nog regelmatig tegen; in de supermarkt, of als hij het boek komt brengen – alle oud-patiënten in het boek krijgen het cadeau, met ingelijste foto. Een Marokkaans-Nederlandse man glom van trots, zegt De Vries. „Hij zei: ‘Ik krijg eindelijk erkenning in Nederland. Ik sta in het fotoboek van de huisarts’.”

    • Martin Kuiper