Column

Politici praten als pubers

Op woensdagen schrijft in NRC over kantoorclichés, op vrijdagen gaat ze op zoek naar interessante taalverschijnselen. Deze week: liegende politici.

Wat ik altijd heel interessante taal vind, is de kinderachtige liegtaal waarmee politici zich ergens onderuit proberen te kletsen. Misschien zit er iets in het politieke water, waardoor volwassen politici soms veranderen in pubers op een schoolplein.

Want politici komen zelden met tegenbewijs als ze ergens van beschuldigd worden, nee, dan zeggen ze: „Ik herken mij niet in dit beeld”, of: „Ik heb daar een andere herinnering aan”. Ze staan ook zelden met hun mond vol tanden, maar zeggen: „Ik hoor wat u zegt”, of: „Dat zijn uw woorden.”

Als ze ervan worden beschuldigd de feiten te verdraaien zeggen ze: „U zegt dat dit de feiten zijn, maar dat is niet wat ik op straat hoor”, en als ze de Kamer verkeerd hebben ingelicht zeggen ze: „Dit is oud nieuws”, „Ik heb ontzettend veel spijt dat deze discussie hier plaatsvindt”, „Er zijn belangrijker zaken, namelijk de ouderenzorg”, en mijn lievelings: „Ik kijk liever naar de toekomst.”

Maar de allerbeste leugen vind ik altijd: „Ik betreur de ontstane ophef” – dat zeggen ze als het ze écht niet spijt, maar ze toch íéts moeten zeggen van de schooldirecteur, pardon, hun partijleider.

Het is een goed tijdsgewricht voor puberachtige politiek. Sterker nog, het is actueler dan ooit, met een Nederlandse premier die „pleur op” zegt, en een Amerikaanse president die leugens verkoopt als ‘alternatieve feiten’. Mijn eigen puberdochter pikte het allemaal moeiteloos op toen ze laatst zei: „Ik lieg niet, ik vertel alleen een andere versie van de waarheid.” Zo zie je hoe snel het kan gaan.

Onze koning was ook een groot wegbereider van dit soort kluitje-in-het-riettaal toen hij in 2002, nog voor hij koning werd, zei dat het wetenschappelijke rapport van professor Baud over de junta in Argentinië „ook maar een mening” was, waar hij „een andere mening tegenover zette”. Sindsdien worden wetenschappers overal als hobbyisten weggezet.

Maar ook Jan Peter Balkenende leek in de brugklas te zitten toen hij in 2010 niet zei dat hij de Amerikaanse inval in Irak nooit politiek had moeten steunen, maar dat hij dat „met de kennis van nu” nooit gedaan had. Dat zeggen scholieren ook vaak als ze hun wiskundetoets niet gehaald hebben.

Woensdag hoorde ik ook weer een mooie, van Lodewijk Asscher. Hij had Mark Rutte „een slap aftreksel van een populist” genoemd – het is campagnetijd mensen – maar hij nam het koud een dag later allemaal weer terug „want voor je het weet blijft zo’n typering hangen”. Ik moest aan mijn eigen middelbare school denken, waar het ene lefgozertje tegen het andere zei: „Ik mag niet van de juf zeggen dat jij een klootzak bent.”

En dan was het natuurlijk de week van Ard van der Steur, die zich donderdag voor de zesde keer in de Kamer moest verantwoorden voor zijn gekonkel in de Teevendeal – hij trad af. Heel mooi vond ik zijn uitspraak van vorig jaar januari toen hij over die deal zei: „Ik heb de grens te laat getrokken”, de grens tussen zijn controlerende taak als Kamerlid en zijn wetgevende taak. Hij zei niet: „Ik heb gesjoemeld.” Nee. Hij had slechts de grens te laat getrokken. Alsof hij atlassen maakt en zijn assistent de landkaarten al naar de drukker had gestuurd toen hij de grenzen nog moest trekken.

Dinsdag zag hij het debat nog „met vertrouwen tegemoet”. Echt niet. Hij zag er natuurlijk als een berg tegenop, en wat zou het verfrissend zijn als een politicus dat eens zou zeggen: „Ik zie er als een berg tegenop!” Maar nee: het volste vertrouwen. Hij was echt niet bang ofzo. Duh.

Op het schoolplein moet je nooit je zwakte laten zien.