Hoe je de medicijnmaker van morgen wordt

Opleiding

Biomedische wetenschappers kunnen zich nu in Leiden laten klaarstomen voor de farmaceutische industrie. Deze toekomstige ‘chief scientific officers’ moeten de hele geneesmiddelenontwikkeling goedkoper maken.

Beeld uit animatie die toont hoe biomedische wetenschapper een ondernemer in de farmasector wordt. Paul Janssen Futurelab

Bedaquiline is een zeer effectief geneesmiddel tegen een vorm van tuberculose die resistent is tegen alle andere antibiotica. Patiënten in vooral ontwikkelingslanden staan ervoor in de rij. In India heeft een vader deze maand met succes bij de rechter afgedwongen dat het dure middel wordt vergoed voor zijn dochter en vergelijkbare patiënten. Als andere landen omgaan wordt deze hit een monsterhit.

Curieus genoeg heeft maar een haar gescheeld of bedaquiline was nooit op de markt gekomen. Tijdens de ontwikkeling ervan trok de directie van fabrikant Janssen Farmaceutica de stekker eruit, omdat de bijwerkingen wel eens schadeclaims zouden kunnen opleveren. De hoofdonderzoeker wist zijn bazen echter te overtuigen dat de bijwerkingen beheersbaar waren en mocht nog één klinische studie doen. Die pakte heel goed uit.

Het geval-bedaquiline laat zien hoe dicht succes en mislukking bij elkaar liggen in de miljardenbusiness van de medicijnontwikkeling. Elk onderzoek kan van het ene op het andere moment veranderen van een nieuwe geldpers in de zoveelste geldverbrander. Onderzoekers bij farmaceutische bedrijven moeten zich dan ook staande weten te houden tegenover de mensen die over het geld gaan.

Om die wetenschappers te wapenen begint Paul Janssen Futurelab, een nieuw onderdeel van het Leids Universitair Medisch Centrum, een masteropleiding. De opleiding, die mogelijk is gemaakt door een ZonMw-subsidie, is de eerste in zijn soort. „De opleiding is bedoeld voor afgestudeerde biomedische wetenschappers die al werken”, zegt directeur Marcel Kenter. „Het gaat om specialisten die zich willen verbreden, een carrièrestap willen maken en eventueel CSO willen worden.”

Bekijk hier de video over de opleiding, tekst gaat verder onder de video:

CSO is de afkorting van ‘chief scientific officer’, die bij farmaceutische bedrijven verantwoordelijk is voor het wetenschapsbeleid. Bij kleine beginnende biomedische bedrijven, start upsis de CSO vaak ook de oprichter, de uitvinder die zijn idee te gelde wil maken. In grote bedrijven zetelt de CSO doorgaans naast de financiële functionaris (CFO) en de bestuursvoorzitter (CEO). „In die functie bezie je vanuit de wetenschap het hele traject van de medicijnontwikkeling – van ruw idee tot de marktintroductie”, zegt Kenter.

Dokters moeten geneesmiddelen maken zoals energiemaatschappijen olievelden leegpompen

Hoe die medicijnontwikkeling gaat, leren de cursisten met onder meer casestudies uit het bedrijfsleven, zoals die van bedaquiline. „Waargebeurde verhalen over ruzies in de board, bestuurders die opstappen en een bedrijf dat failliet is gegaan”, zegt Kenter. „Bij zo’n geanonimiseerde casus moet je met mede-cursisten werken aan opdrachten. Na afloop krijg je te zien hoe het in het echt is afgelopen.”

Gelikte film

De cursisten krijgen ook veel (online) filmpjes te zien, waarin heikele kwesties worden belicht. Hoofdfilm is een gelikte rolprent van een half uur, waarvoor professionele acteurs en een filmploeg zijn ingehuurd. Hierin slaagt een jonge onderzoekster er met vallen en opstaan in om een onderzoeksproject naar haar hand te zetten.

Claire is een jonge briljante neurologe, die net is gepromoveerd en overgestapt van een universitair medisch centrum naar een biotechbedrijf. Dat bedrijf heeft een middel tegen een neurologische aandoening in ontwikkeling, ITL4037. Ze verbaast zich over de standaard ontwikkelprocedure, waarbij in het begin van het onderzoek niet naar de werking van het middel wordt gekeken. Als wetenschapper wil ze graag weten of het middel überhaupt in voldoende mate door bloedhersenbarriere heen gaat. Kunnen we dat niet nu al testen, vraagt ze. Nee, zegt haar leidinggevende Peter, die al heel veel producten heeft ontwikkeld: „Dat is heel erg duur.” Te duur dus.

Wat Claire voorstelt is weinig minder dan een revolutie. De farmaceutische industrie is ingericht op de ontwikkelprocedure, waarbij een middel na de dierproeven eerst bij gezonde mensen wordt getest op veiligheid (fase 1), voordat de optimale dosis en werkzaamheid in klinische studies wordt beproefd op patiënten (fase 2 en 3). De boekhoudkundige modellen gaan er vanuit dat het grote geld gaat naar de klinische studies met patiënten.

Het idee van Claire, waarin veel onderzoeksgeld eerder wordt uitgegeven, past daar niet in. „Het hele project zou minimaal een half jaar uitlopen, terwijl het benodigde onderzoeksmateriaal een paar miljoen extra kost”, legt Kenter uit. „De boekhouder zegt dan: met die test gaat de waarde van mijn hele project naar beneden. De wetenschapper zegt: als we nu iets meer geld uitgeven dan weten we of het middel voldoende in de hersenen komt. Zo nee, dan kunnen we stoppen en hoeven we het kostbaarste deel van het onderzoek niet te doen. Zo ja, dan kunnen we samen met de gegevens uit de dierproeven al de optimale dosis vaststellen voor de studies met patiënten. Dat spaart straks ook tijd en geld.”

Olievelden

Deze methodiek is bekend uit de olie-industrie. Die worstelt bij de vondst van een olieveld met vragen als: hoeveel olie zit erin, hoe makkelijk is die te winnen en hoe hoog is de olieprijs als de olie er over 10 jaar uitkomt? Die onzekerheden zijn allemaal verwerkt in een complex rekenmodel, waarmee oliemaatschappijen besluiten of ze een olieveld ontginnen.

Kenter en de zijnen brengen dit model, de real options theory, hun cursisten bij. „We hebben het model iets vereenvoudigd en zo omgebouwd dat het de meest efficiënte ontwikkelroute toont. Het laat zien welke wetenschappelijke vragen eerst beantwoord moeten worden, zelfs als dit het begin leidt tot hogere kosten.”

Zo hoopt Paul Janssen Futurelab af te rekenen met dat het idee toezichthouder EMA alleen medicijnen toelaat als die met de standaardmethode zijn onderzocht. Kenter: „Veel medicijnontwikkelaars denken dat, maar dat is niet waar. Daarom hebben in de film een interview het hoofd medische dienst van de EMA, die zegt: ‘Regulations have to follow science, science doesn’t have to follow regulations’. In de oncologie wijken ze al vaker af van die standaardprocedure, maar dat zou vaker moeten gebeuren.”

Claire mag vijf minuten aanschuiven bij onderzoeksleider Peter en CEO Frank, die ze nogmaals vraagt om de studie te mogen doen. Ze opent de online ‘tool’ en vraagt enkele gegevens van de gesprekspartners, onder meer over de patiënten. Als alle parameters zijn ingevuld, rolt eruit dat het ook om financiële redenen verstandig is haar studie vroeg uit te voeren.

Bij de studies met mensen kan later ook veel mis gaan. Denk aan de doden die vielen bij de studie met probiotica in Nederland. Dit soort cases wordt ook behandeld bij de opleiding, vertelt Kenter die zelf publiceerde over het echec met het antilichaam TGN1412 (Lancet 2006, BJCP, 2015). In 2006 werd een experimenteel middel tegen een auto-immuunziekte getest op 6 gezonde jonge mannen in Londen. Ze werden doodziek en verloren uiteindelijk vingertopjes, tenen en een voet. Het middel was eerst probleemloos getest op Java-apen, en werd aan de proefpersonen gegeven in een dosis die 500 keer zo laag was. „Cruciale wetenschappelijke vragen waren vooraf niet beantwoord. Achteraf bleek de dosering toch nog veel te hoog”, zegt Kenter. De fabrikant ging failliet, een Russisch bedrijf kocht het patent over en testte wel succesvol TGN1412 – in een nog veel lagere dosering. Kenter: „Het is opvallend hoe weinig we leren van gemaakte fouten. In onze opleiding willen we dat graag wel doen.”