Opinie

Het schuttersputje van VenJ

Hoe complimenteus minister van der Steur (Veiligheid en Justitie, VVD) in zijn slotwoord op donderdag voor zijn ambtenaren ook was, ieder gedwongen aftreden houdt ook een afkeuring in van het ambtelijk apparaat. Respectievelijk een opdracht aan diens (definitieve) opvolger om schoon schip te maken, fouten te herstellen en herhaling te voorkomen.

Nu wil het toeval dat Van der Steur de tweede minister van Veiligheid en Justitie is die in dezelfde kabinetsperiode moest aftreden – en hij nog bezig was om uit het vertrek van zijn voorganger en partijgenoot Opstelten en diens staatssecretaris Teeven organisatorische conclusies te trekken. Daartoe was een nieuwe secretaris-generaal aangesteld, die met het programma ‘VenJ Verandert’ een cultuur- en gedragsverandering op het ministerie tot stand probeert te brengen.

Deze krant vatte het probleem destijds samen onder de titel ‘de zeven plagen van Justitie’. Dat betrof overmatige aandacht voor imagobehoud, met wegredeneren van problemen als gevolg. Bunkermentaliteit, ofwel overal vijanden zien. Onbestuurbaarheid door mammoetomvang, als gevolg van de vorming van de Nationale Politie. Fixatie in het politiek management op incidenten in de publiciteit. Obsessie met daadkracht – gevolg van de ‘law and order’ focus in de VVD, waar geen ruimte voor onderzoek of twijfel is maar alles met ‘aanpakken’ is op te lossen. En wellicht het ergste, ‘dejuridisering’ van de politiek-ambtelijke leiding, waardoor rechtsstatelijke waarden het steeds vaker aflegden tegen politieke wensen en de wetsontwerpen van nota bene Justitie juist op juridische gronden regelmatig vastliepen in de Staten-Generaal.

Tel daarbij op een al jaren kritische Rekenkamer, die in 2015 het financiële beheer van het ministerie als ‘ernstig onvolkomen’ kwalificeerde. En die dit jaar droog opmerkt dat het „al enkele jaren niet op orde is”, en er doemt een somber beeld op. Bij de jongste begroting adviseerde de Rekenkamer Van der Steur nog de „verhouding tussen ambitie, tijd en beschikbaar budget in balans te brengen”. Wat een uiterst vriendelijke manier is om te zeggen dat Justitie te veel wil in te korte tijd met te weinig geld. Politiek overspannen wensen dus, op een bestuurlijk vrijwel vastgelopen departement, dat z’n ministers niet voor aftreden weet te behoeden. Dat het ministerie in deze omvang de volgende formatie overleeft lijkt moeilijk voorstelbaar. In de Kamer daalt het besef in dat één ministerie dat én migratie én rechtshandhaving én politie én veiligheid onderdak biedt, misschien toch niet zo’n goede keuze was. Achteraf dan. Maar dat is het probleem met wijsheid. Die begint met twijfel.