Een beetje verbluft

Mijn jongste dochter was haar mobiel verloren en gelukkig had ze de tegenwoordigheid van geest gehad om naar huis te fietsen en daar met de huistelefoon haar 06 te bellen. Een Syrische vluchteling nam op. Jazeker, zei hij, haar mobiel was gevonden. Natuurlijk mocht mijn dochter haar apparaatje komen ophalen.

Ik, nieuwsgierig als altijd, ging mee.

Ergens driehoog in De Baarsjes deed een vrouw open. Rond een vriendelijk middelbaar gezicht dansten donkere krullen vrijelijk naar beneden.

Moderne, hoogopgeleide moslims, dacht ik meteen.

Ze was de moeder van de eerlijke vinder. „You are good people”, zei ze. We wisten niet wat daarop te zeggen, glimlachten maar wat terug. Ze vroeg ons binnen. In afwachting van haar zoon, die boodschappen aan het doen was, dronken we thee en aten we frambozen en bramen in een decor dat zich nog het beste laat omschrijven als IKEA met een Arabisch tintje. Een enorme waaier aan de muur probeerde er iets van te maken. Ze hadden al hun bezittingen in Damascus moeten achtergelaten.

„We zijn christenen”, zei de moeder. Ongevraagd, maar niet zonder reden.

Het woord ‘christenen’ was duidelijk bedoeld als brug naar mijn dochter en mij, om aldus een gelukzalig en harmonieus ‘ons’ te verkrijgen. De christelijke minderheid in Syrië heeft het moeilijk, legde de vrouw in gebrekkig Engels uit. Van de vroegere omstandigheden, waarin zij gewoon naar de kerk konden gaan, was weinig meer over. Haar man stierf onder verdachte omstandigheden en toen hadden de vrouw en haar zoon de bekende en gevaarlijke reis ondernomen via rubberbootjes naar driehoog in Amsterdam.

Haar man stierf onder verdachte omstandigheden en toen hadden de vrouw en haar zoon de bekende en gevaarlijke reis ondernomen

„Aanpassen is belangrijk”, zei de vrouw. „We moeten Nederlandse lessen volgen. Uiteraard. Dat zouden de moslims ook wat vaker moeten doen.” Ze keek ons verwachtingsvol aan, alsof wij nu moesten opstaan om haar te omhelzen. Bijna verheugd ging ze door over de Marokkanen. „Die veroorzaken veel te veel rotzooi. Ze stelen onze spullen. Ik vind, ze moeten hard worden aangepakt.”

Een beetje verbluft staarden wij haar aan. De vrouw was nog maar drie dagen hier. Had ze zich de laatste mores in het Land Van Wilders En Rutte zó snel eigen gemaakt? Of had ze deze inzichten opgedaan tijdens haar maanden in asielzoekerscentra?

Het stalen geluid van sleutel en slot. Zoonlief kwam thuis. Op weg naar de deur zei de vrouw ook nog, als om de brug naar het wij-gevoel van extra pijlers te voorzien: „De Marokkanen zijn heus niet populair onder Syriërs.”

De zoon was een eind-twintiger met lage broek en hipsterbaardje. „De mobiel lag in stukken op straat”, zei hij, „maar ik dacht dit moeten we teruggeven, want er kunnen foto’s en andere privézaken op staan.”

„Het was onze plicht”, vulde de moeder aan. „Zo moeten de mensen zijn. Eerlijk, behulpzaam.”

Doe normaal, anders ga je maar weg.

Mijn dochter overhandigde een doos chocolaatjes, en zo stapten wij weer op de fiets, diep onder de indruk van hoezeer twee nieuwkomers de tijd waarin wij leven zo perfect kunnen weerspiegelen.