Opinie

Doe niet alsof we een echte democratie zijn

Het volk is alleen de baas op verkiezingsdag. Daarna kan het parlement rare kunsten uithalen met de volkswil. Begrijpelijk dat het volk woedend is, schrijft . Reconstructie van een historische weeffout.

Geen politiek systeem kennen wij zo goed, maar begrijpen we tegelijkertijd zo slecht als de representatieve democratie. Dat begint al met de naam. De representatieve democratie is helemaal geen democratie, maar een electieve aristocratie. Rousseau (1712-1778) wist dat al.

Dat zit zo. Wij denken dat in de representatieve democratie de volkswil bepalend is. En dat de politieke representatie ervoor zorgt dat de volksvertegenwoordiging ook echt doet wat het volk wil. Dat verstaan we onder volkssoevereiniteit: het volk zelf is de soevereine wetgever.

Rousseau was daar als voorstander van de volkssoevereiniteit dolgraag in meegegaan. Maar hij wijst erop dat in een representatieve democratie de wet niet een besluit van het volk, maar van de volksvertegenwoordiging is. Kiezers kunnen weliswaar uit onvrede over de besluiten van hun vertegenwoordigers bij de volgende verkiezingen op een andere partij stemmen, maar dat is nog geen reden tot grote vreugde. Feit blijft dat het volk alleen maar de baas is op de dag van de verkiezingen. Op alle andere dagen is dat de gekozen volksvertegenwoordiging. Aldus Rousseau. En aldus de Engelsen. Die erkennen openlijk de soevereiniteit van het parlement. Denk aan het besluit van het Britse Hooggerechtshof over de Brexit van deze week: het Britse parlement moet uiteindelijk goedkeuring geven.

Een troost dat we niet meer onder een erfelijke aristocratie leven, zoals vóór 1800. Vrije verkiezingen bepalen nu hoe de gekozen aristocratie eruitziet. Dat geeft ons, als burger, grip. Maar ook dat is betrekkelijk. Napoleon wist in de gelukkige jaren van 1800 tot 1804 de Franse bevolking adequaat te representeren. Maar hij was met een staatsgreep aan de macht gekomen. Vrije verkiezingen zijn dus geen noodzakelijke voorwaarde voor adequate representatie. En ook geen voldoende voorwaarde. Wie denkt dat het vrij gekozen Europese Parlement de Europese bevolking representeert, is wel heel naïef.

Vrije verkiezingen zijn geen noodzakelijke voorwaarde voor adequate representatie.

Dat zijn verdrietige waarheden. Velen voelen dat nu meer dan ooit. Vandaar dat sommigen nu terugverlangen naar de directe democratie van de Griekse polis. Daar had je geen politieke representatie, maar nam het volk zelf de beslissingen. In theorie; de praktijk was minder ideaal. Sinds de Oudheid heeft dat model in Europa nooit meer een rol gespeeld. Behalve in sommige middeleeuwse stadstaten en – tot op de dag vandaag – in de Zwitserse kantons Glarus en Appenzell-Innerrhoden. In staten met miljoenen inwoners is het onuitvoerbaar. Maar dat laat nog wel ruimte voor varianten op directe democratie, zoals burger- en volksinitiatief en het referendum. Die functioneren binnen de kaders van de representatieve democratie. Voorwaarde is dat je representatieve democratie en directe democratie strikt gescheiden houdt. We weten wat er gebeurt als je salpeter, zwavel en houtskool vermengt en daar een lucifer bijhoudt.

Temeer omdat de representatieve democratie van zichzelf al een onstabiel mengsel is. Om dat in te zien hoef je niet terug naar de Oudheid. Maar wel verder terug dan de geboorte van de representatieve democratie begin negentiende eeuw. Namelijk naar de late Middeleeuwen. Politieke macht zag er toen heel anders uit dan nu. Kort door de bocht: de vorsten en landsheren hadden geen soevereine macht zoals de absolute monarchen van de 17e en de 18e eeuw. Zij waren rechters, maar geen wetgevers.

De Middeleeuwen kenden een zich spontaan ontwikkelend gewoonterecht. Van wetschepping was nog geen sprake. Maar de middeleeuwse vorst moest wel vaak zakendoen met inwoners van zijn grondgebied. Bijvoorbeeld als hij geld nodig had. Wat eigenlijk steeds het geval was. Hij riep dan de Staten-Generaal bijeen, waarin de adel, geestelijkheid en de Derde Stand (steden en/of provincies) waren vertegenwoordigd. Nu zat het geld bij de Derde Stand. Dat resulteerde in onderhandelingen tussen de vorst en de vertegenwoordigers van de Derde Stand, waarbij die laatsten doorgaans bereid waren te betalen mits de vorst hen daarvoor in ruil bepaalde privileges toekende.

Van belang is dit: de vertegenwoordigers van de Derde Stand waren gebonden aan een mandaat van hun achterban. Zij konden dus niet naar eigen inzicht beslissen over afspraken met de vorst of landheer. In die zin was die achterban zelf, in de persoon van hun vertegenwoordiger, aanwezig in de onderhandelingen met de vorst. Dat is de kern van de middeleeuwse politieke representatie.

De moderne politieke representatie is wezenlijk anders. Tekenend is grondwetsartikel 67 lid 3: ‘De leden stemmen zonder last.’ Bij het uitbrengen van hun stem in de Staten-Generaal is hun eigen inzicht doorslaggevend en niet dat van degenen die hen gekozen hebben. Wil hun achterban A, maar vinden zij zelf dat het omgekeerde van A het landsbelang het beste dient, dan moeten zij voor dat laatste stemmen.

Hoe werd de overgang van middeleeuwse naar moderne representatie mogelijk? Dat komt door de absolute monarchie. De absolute monarch was soeverein en had het recht te beslissen wat hem goeddacht. De Franse Revolutie maakte een einde aan de monarchie, maar het soevereine gezag bleef onmisbaar en werd toevertrouwd aan een politieke representant naar middeleeuws model. De representatieve democratie vermengt daarom twee geheel verschillende dingen: middeleeuwse representatie en absolute monarchie. Onze volksvertegenwoordigers hebben dus drie taken: bevolking vertegenwoordigen (de middeleeuwse erfenis), wetgeving (die van de absolute monarchie) en controle op de regering.

Een bizar mengsel van taken. De eerste taak verlangt van de volksvertegenwoordiger zich de benen haaks te lopen voor zijn achterban. De tweede taak vereist dat hij zijn achterban in de kou laat staan als hij die wensen zelf onverstandig acht. Vanuit het perspectief van de burger is het alsof in een rechtszaak je advocaat tegelijk je rechter is. De wereld van Kafka.

Vanuit het perspectief van de burger is het alsof in een rechtszaak je advocaat tegelijk je rechter is. De wereld van Kafka

Emmanuel Sieyès (1748-1836), de staatsrechtelijke Einstein van de Franse Revolutie, zag al in dat hier iets niet klopte. Hij vond er een min of meer aannemelijke oplossing voor. Maar niemand had aandacht voor zijn ingenieuze voorstel. Het probleem verdween namelijk uit beeld door de opkomst van politieke ideologieën, zoals het liberalisme, de christendemocratie en de sociaaldemocratie. Die schiepen een band tussen kiezer en gekozene waardoor zij blind konden blijven voor het probleem. De volksvertegenwoordiger was voortaan verzekerd van een trouwe achterban en de kiezer van een volkstribuun. Dat de gekozen volksvertegenwoordiger ook wetgever was, zag de kiezer niet als probleem. Dat was juist het sterkste wapen in strijd voor de door beiden gewenste toekomst! De ideologie bemiddelde tussen volkswil en wetgeving.

Tegenwoordig zijn politieke ideologieën op sterven na dood. En zo ontdekte de burger dat die zo goed naar ons luisterende volksvertegenwoordigers tegelijk de erfgenamen zijn van de absolute monarch, die soeverein over ons wel en wee beschikte en op eigen gezag wetten maakte. Die brave representatieve democratie blijkt nu ineens een heel wat minder brave electieve aristocratie te zijn – die zij altijd al was, maar zonder dat we dat in de gaten hadden.

De volksvertegenwoordiger werd ontmaskerd als iemand met twee gezichten. Eén daarvan is naar de kiezer gewend. Maar het andere naar allerlei anderen waar de kiezer niet veel mee op heeft, zoals de EU en de financiële sector. Voor de volksvertegenwoordiger geldt iets soortgelijks. Die moet kiezen of hij de advocaat van zijn kiezers is, of een strenge rechter die, met het wetboek van de politieke Rede in de hand, vaak hard oordeelt over de onbezonnen wensen van de kiezer. Wilders en Trump kiezen voor het eerste. Traditionele politici voor het tweede – wat hen ten onrechte, maar niet onbegrijpelijk het verwijt oplevert niet de kiezer, maar de ‘elite’ te representeren.

Dat verklaart het succes van het populisme. Na de dood van de ideologie kwam de kiezer ertoe om politiek en samenleving te verdelen in enerzijds ‘het volk’ dat de onverdunde vertegenwoordiging van ‘de volkswil’ verlangt en anderzijds een ‘corrupte elite’ die met diezelfde ‘volkswil’ de meest rare en onvoorspelbare kunsten uithaalt. Dat mag politieke paranoia lijken, maar het populisme stelt belangrijke dingen aan de orde. Zoals: wat is nationale identiteit, is er nog ruimte voor een ‘nationaal thuis’ in een globaliserende wereldorde? Welke bescherming kan en moet de natiestaat bieden tegen ongewenste sociale, culturele en economische invloeden van buiten? Waar liggen de grenzen van gelijke behandeling en van vrijheid van meningsuiting? Hele goeie vragen.

Overdrijf het gevaar van het populisme niet.

Welke conclusies moeten we verbinden aan deze lessen van de geschiedenis? Allereerst, overdrijf het gevaar van het populisme niet. Populisten hebben nooit de afschaffing van de representatieve democratie geëist. Met het populisme staat niet een nieuw 1789 of 1917/1918 voor de deur. Er zijn allerlei redenen om je zorgen te maken over de toekomst, maar het populisme behoort er niet toe. Met het verdwijnen van de ideologie kwamen velen erachter dat de representatieve democratie in feite een electieve aristocratie is. Vandaar dat gescheld op de ‘elite’. Dat is niet anders dan het schelden op het ‘establishment’ van de jaren zestig, toen een generatie tot een soortgelijke ontdekking kwam.

Moeten we iets tegen het populisme ondernemen? Nee. De woede en teleurstelling van de populisten over hun ontdekking in een electieve aristocratie te leven is soms zorgelijk. Maar het inzicht is juist. En het is beter dat burgers de realiteit onder ogen zien dan dat ze blijven geloven in een illusie.