De euroscepsis wordt niet groter - of kleiner

Caroline de Gruyter is correspondent in Wenen en schrijft wekelijks een column over politiek en Europa.

In Oostenrijk wordt elk halfjaar een peiling onder de bevolking gehouden met één en dezelfde vraag: „Moet Oostenrijk volgens u lid van de Europese Unie blijven of uittreden?” Deze week werden de resultaten weer bekendgemaakt: 67 procent wil in de EU blijven. Dat is 6 procentpunten meer dan zes maanden geleden. 25 procent wil uit de EU. 8 procent heeft geen mening.

Voordat we hieruit conclusies trekken die relevant zijn voor andere lidstaten zoals Nederland, eerst even dit: hetzelfde onderzoeksinstituut stelt deze vraag al sinds Oostenrijk in 1995 toetrad tot de EU. De antwoorden schommelen licht, in de loop der jaren. Maar gemiddeld zegt iets minder dan 70 procent ja en 25 procent nee. Voordat Oostenrijk lid werd stemde 66,6 procent, exact tweederde van de bevolking, bij referendum voor toetreding.

Met andere woorden: de euroscepsis in Oostenrijk is al die jaren niet groter of kleiner geworden. Ze is constant gebleven. Toch is dat niet de indruk die je van dit land krijgt. Ook Oostenrijkers zelf zijn steeds verbaasd dat er zo’n solide meerderheid blijft voor het EU-lidmaatschap. Hét verhaal in Oostenrijk is en blijft immers de FPÖ, de extreemrechtse partij waarop veel eurosceptici stemmen. Met zijn constante gehak op de vermolmde regeringscoalitie, die er al zeventig jaar zit (en deze week bijna ten val kwam), met schandalen en provocaties trekt de FPÖ doorlopend de aandacht. Vorig jaar won een FPÖ’er de eerste ronde van de presidentsverkiezingen. Hoewel hij in de tweede ronde ruim werd verslagen door een Groene politicus die in warme termen over Europa spreekt (donderdag werd Van der Bellen geïnstalleerd), is ‘Öxit’ sindsdien een thema gebleven. Net zoals Nexit in Nederland en Frexit in Frankrijk.

Dat vertekent het beeld. Het probleem is niet zozeer Europa, maar meer de implosie van binnenlandse mainstream partijen. Zij hebben geen antwoord op de grote problemen van deze tijd – migratie, milieu, globalisering, terrorisme – omdat die de natiestaat ver ontstijgen. Burgers keren zich van die partijen af. Dus lijkt het partijenlandschap in veel landen op een drukke celdeling die je onder een microscoop bekijkt: alles splitst, fuseert en splitst weer. Uiteindelijk hou je allemaal bubbelende kleine celletjes over. Omdat extreemrechtse en populistische partijen leven van de proteststem, versplinteren zij niet. Ze profiteren juist van de onrust. In Oostenrijk is de FPÖ, die vóór toetreding de enige pro-Europese partij was (omdat de rest tegen was), daarom de grootste partij. De PVV in Nederland, het Franse Front National, 5 Stelle in Italië: idem dito. Niet vanwege Europa. Maar omdat de rest er een potje van maakt en steeds kleiner wordt.

Dit verklaart waarom politici als Wilders, Le Pen of Strache er geen voordeel van hebben als ze exit uit de EU of euro tot campagnethema maken. Wilders probeerde het en won er niets mee. Le Pen praat niet meer over ‘Frexit’: Fransen haten de globalisering, niet de EU. Straches eurosceptische aanhang verdient goed op de interne markt. Kiezers beseffen dat hun land zijn welvaart en stabiliteit aan Europa ontleent. Misschien moet het anders met Europa – maar eruit, nee.

Om die reden winnen mainstream politici als Merkel, Macron en Van der Bellen wél stemmen zodra ze over Europa beginnen. In plaats van te katten, zoeken zij manieren om de club sterker en effectiever te maken. Ze leggen uit dat dit nodig is, nu we tussen Trump en Poetin gesandwicht zijn. Dat spreekt veel kiezers aan. Alles schuift onder hun voeten. Vrede en welvaart blijken kwetsbaarder dan ze dachten.

Je zou willen dat meer politici dit inzien. En dat ze stoppen hun oren te laten hangen naar een eurosceptische minderheid.