Opinie

    • Arjen Fortuin

Asiel zoeken bij de alternatieve feiten van Boontjes 1970

Ik zag het grapje voor het eerst in een tweet van Pamela Paul, de baas van de New York Times Book Review, die schreef dat redacteuren zich inmiddels overal afvroegen of ze het genre ‘fictie’ gedurende het nieuwe presidentschap zouden moeten vervangen door ‘Alternative facts’. Briljanter nog vond ik een ander escapistisch initiatief. Het online poëzieproject Laurens Janszoon Coster organiseerde een verkiezing voor de VSB Poëzieprijs 1916. Nee, dat is geen tikfout, de genomineerden waren Adama van Scheltema, Aart van der Leeuw, Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen en P.C. Boutens. Wat een weelde. Ik stemde op Music Hall. Van Ostaijen won inderdaad, met 46%.

Asiel aanvragen in het verleden, misschien is dat voorlopig de beste oplossing. Gelukkig verscheen net deze week de jaarlijkse traktatie van het Louis Paul Boon Genootschap: het deel 1970 van de prachtig uitgevoerde reeks met alle dagelijkse columns die Boon schreef voor het Vlaamse dagblad Vooruit. Zo verhuisde ik voorlopig naar 1970. Ter verdere documentatie pakte ik Het aanzien van 1970: aanslagen van radicale moslims, lawines en grote demonstraties tegen de president van Amerika. En een verslag van het varkensincident op het Boekenbal van 3 april. Tijdens het diner werd een speenvarken door de zaal gejaagd om het hoofdgerecht aan te kondigen, waarop ‘een keukenmeisje’ riep dit een schande te vinden. In het verdere tumult riep Harry Mulisch dat het meisje om haar actie ontslagen was, waarop de literatoren een eetstaking uitriepen. Pas toen het ontslag werd ontmaskerd als nepnieuws, pakten zij hun bestekjes weer. Met de realiteit van 1970 heb je geen alternatieve feiten meer nodig.

Boon schrijft graag over eten, maar het Boekenbalrelletje laat hij links liggen, zoals de meeste actualiteit niet aan de tedere anarchist en oud-revolutionair Boon besteed is. Maar Boontjes 1970 is een onmisbaar boek. Omdat de Vlaming terloops kan schrijven dat zijn nichtje ‘als een ijsblokje’ naast hem zit in de trein. Of het bloedstollende verslag van hoe een mol vanuit de buurtuin het gazon van Boon bedreigt: ‘Hij heeft als Napoleon eerst een omsingelende beweging gemaakt’. Tegen een mol is geen muur of hek gewassen, dus grijpt men tenslotte de luchtkarabijn.

Op vrijdag 24 april volgt dan het hoogtepunt van het boek. In het stukje ‘Maan’ ontmoet Boon op een rommelmarkt ‘een oud en levenswijs man’ die hem onderhoudt over de mannen op de maan. Het vonnis van de levenswijze man is keihard: flauwekul! De maanlanding van ’69 was het grootste nepnieuws aller tijden: ‘Ja, ginder een beetje rondvliegen tot we ze niet meer kunnen zien, en dan in hun vuist zitten lachen met ons, dwazekloten, die dat allemaal serieus opvatten.’

Hadden we de alternatieve feiten van Boon maar eerder gelezen... Ik keek naar de maan in de winternacht. Best klein en ver. Toen wist ik het ook allemaal niet meer zeker.

    • Arjen Fortuin