Recensie

Sorry, maar onze kinderpoëzie moet écht beter

Elke week bespreekt NRC nieuwe kinderliteratuur. Op deze Gedichtendag een extra lange aflevering, over de staat van de kinderpoëzie.

Sorry voor de timing, op deze feestelijke Gedichtendag, maar: het gaat niet goed met de kinderpoëzie in Nederland. De afgelopen tien jaar is die nauwelijks een stap vooruitgekomen, er is geen grote nieuwe stem gaan klinken, er verschijnen nauwelijks bundels – en wat wél echt goed is (bijvoorbeeld de vormexperimenten van Ted van Lieshout), komt uit een heel klein aantal gerenommeerde handen.

Geen nieuwe stem? En Bette Westera dan? Die met Doodgewoon (2014) grote kinderboekenprijzen won en zeker geen eendagsvlieg is? Ja, haar lukte het eindelijk het monopolie te doorbreken dat Annie M.G. Schmidt al decennialang hield op het ritmische, grappige, toegankelijke en soms licht vileine kindervers. Schmidts voetsporen zijn nu goed gevuld.

Maar: een nieuw geluid? Westera heeft een eigen, herkenbare stem, maar borduurt ook voort op een mooie traditie. Dat is ook een probleem: de hedendaagse Nederlandse kinderpoëzie wordt gegijzeld door successen uit het verleden. Gedichten voor kinderen zijn negen van de tien keer geschreven volgens de poëziedefinitie die kinderen op school leren: je kijkt naar de wereld en schrijft op wat je ziet, en geeft een kleine draai aan het alledaagse. Dat poëzie ook weleens iets onbevattelijks probeert te beschrijven of iets onbeschrijfelijks probeert te vatten en daarom de taal ontregelt en niet taalt om regels, nee, dat zie je zelden in gedichten voor kinderen. De meeste kinderdichters dichten zoals alle andere kinderdichters ook dichten.

Een matige kopie

Dat wordt gênant. Een van de weinige dichtbundels die vorig jaar verschenen was Niets liever dan jij van dichtend duo Erik van Os en Elle van Lieshout, vol zeer zoete en bepaald niet originele versjes voor de allerkleinsten. Bijvoorbeeld het titelgedicht, waarin een kind weifelt over het begrip ‘de liefste’ – ook met een kleine draai aan de alledaagsheid: ‘Moeilijk hè,’ zegt mama. / Je hebt ook zo veel keus. / Ik weet alleen / wie liever dan de liefste is. // Die staat hier / voor mijn neus!

Wat er gênant aan is: het is een wel heel schatplichtige imitatie van de succesvolste kinderdichtbundel van deze eeuw, Jij bent de liefste (2000) van Hans en Monique Hagen. Vergelijk alleen al even de titels. Verder is het wel een matige kopie: in deze gedichten klinkt al te vaak de toon door van een volwassene die doet alsof hij een schattig kind is (Ik zei: ‘Zeg zeep, doe niet zo gek.’), of zoekt het juist de vertedering van een kind dat iets koddigs zegt. Het drijft puur en geheel op herkenning en vertedering zoals kinderversjes kunnen vertederen; iets verrassends doen met taal is er niet bij.

Een wel erg gewone droom

Dat is ook wat tegenvalt aan de net verschenen bundel Gewoon een droom van Linda Vogelesang. Om in de termen te blijven: de dromen blijven gewoon. Haar eerste gedicht is nog heel aardig, doordat er twee beelden consequent en steeds onontwarbaarder door elkaar gaan vloeien, precies waar het gedicht over gaat: De zon zakt / en de dagelijkse kleuren / vloeien samen / alsof een schilder / zijn kwast schoonspoelt / in een glazen pot. / Twintig, dertig tellen later / mengen ze tot donker / en zakken naar de bodem. / Kijk! / Zo valt de nacht.

Maar Vogelesang kleurt binnen de lijntjes: de taal blijft glashelder, maar iets méér troebelheid had minder saaie poëzie opgeleverd dan: Ik ben de piloot / van deze nachtelijke vlucht. / Ik neem je mee naar Waaralleskan / en morgenvroeg weer terug. In een ander gedicht beschrijft ze koeien in de nevel die toch ‘sloom [grazen] van hun ontbijt’, een beeld dat poëtische mogelijkheden laat liggen en niet helemaal lijkt te kloppen. Want als er ochtendmist over de wei hangt, staat een koe toch niet ongestoord ontbijtgras te eten, maar juist in het melkschuim van zijn grascappuccino te happen?

Gewoon een droom is wel sterk in de illustraties, waar wél ruimte aan de verbeelding en de suggestie overgelaten wordt. Marco Faasen maakte foto-illustraties vol schaduwen in sepia, die weer geïnspireerd lijken op Vogelesangs neologisme ‘schaduwstraattheater’, wat trouwens een klinkend woord vol cadans en binnenrijm is, waarin de invloed van kinderdichter Edward van de Vendel te bespeuren lijkt.

Bekijk hier een aantal illustraties uit de bundel van Marco Faasen. De tekst gaat eronder verder.

Obama over een varkentje

Over hem gesproken: als er in de Nederlandse kinderpoëzie dan toch binnen een traditie gedicht moet worden, laat dan de invloed van Van de Vendel nog iets verder reiken. Niet alleen die van zijn waarlijk onalledaagse observaties (die tot écht nieuwe associaties leidt) en in zijn anekdotes (die nooit slechts anekdotes zijn, omdat zijn verhalen vreugdevol ontsporen), maar ook de invloed van wat hij met de taal doet.

Luister maar, naar dit lichtpuntje in de kinderpoëzie, dat de kracht heeft van een schijnwerper: het optreden, bijna straattheater, van Edward van de Vendel tijdens de afgelopen Nacht van de Poëzie, afgelopen najaar. Vooral zijn laatste gedicht ‘This varkentje’ – dat in deze gloedvolle vertolking best een nieuw ijkpunt in de kinderpoëzie zou mogen worden – gaat fenomenaal over taal, overtuigingskracht en kleuren alsof er nooit lijntjes wáren. Het begint met: There was / this varkentje / from Holland. En het is: de speech die Barack Obama zou hebben gegeven over een Nederlands varkentje dat turner wilde worden. Ja, dat kán.

Lees ook: Eigenlijk is er sinds 2008 niets veranderd. ‘Kinderdichters worden zondagsdichters’ schreef NRC toen.