Onderwijs

Partijprogramma’s: stroom door naar hoger onderwijs

Met minder selectie, minder tests, stapelen, brede scholen willen veel partijen de poorten naar het hoger onderwijs verder open zetten. Wie gaat dat betalen?

Anp, Bart Maat

Toetsen is niet geliefd bij veel politici. Dat blijkt wel uit de verkiezingsprogramma’s. ,,We maken een einde aan de vroege selectie en de toetscultuur in het basisonderwijs’’, belooft Groenlinks. En de toetsscores van scholen moeten geheim blijven. De Christenunie neemt afscheid van ,,de doorgeslagen focus op toetsen, resultaten, meetbare output en cognitieve kennis vanuit de overheid en de Inspectie.’’ Het onderwijs moet wat softer, wat minder op meetbaarheid worden gestuurd.

Dat betekent dat zwakke scholen voor ouders en leerlingen een black box worden en dat leraren niet meer op concreet resultaat hoeven te sturen. Uit ervaringen in de VS blijkt dat die openbaarheid juist enorm stimuleert.
Met die toetsvrees in tegenspraak lijkt het pleidooi voor gelijke kansen in vrijwel alle verkiezingsprogramma’s.

Opmerkelijk is dat vervolgens geen van de partijen zich zorgen maakt over de grotere ongelijkheid sinds de Citotoets niet meer het vervolgonderwijs na de basisschool bepaalt. In haar jaarverslag stelde de Inspectie vast dat bij gelijke geschiktheid kinderen van hoogopgeleide ouders een hoger schooladvies krijgen dan kinderen van laagopgeleide ouders. De Groenlinkse verkiezingskandidaat, Zihni Özdil beschreef nog in NRC hoe hij zijn succesvolle loopbaan in het hoger onderwijs heeft te danken aan een Citoscore die hoger was dan het schooladvies. Groenlinks wil leraren trainen tot wat een feilloos oordeel moet worden. Alleen de VVD en de PvdA adviseren om het hoogste advies, dat van de Cito of van de leraar, te laten gelden.

Middenschool

Groenlinks pleit daarentegen voor een nieuw soortmiddenschool, zodat de keuze kan worden uitgesteld. Ook D66 wil experimenteren met driejarige brugklassen in de middelbare school. De PvdA wil de keuze na de brugklas beperken tot brugklassen in drie hoofstromen, zodat de keuze later nog kan worden gecorrigeerd. En er moet volgens D66 onderwijs op maat zijn, zodat je niet altijd op je slechtste vak wordt afgerekend en een vak uit een hoger schooltype erbij kunt doen. De PvdA wil het wel zodanig organiseren dat de diploma’s duidelijk blijven.

De vrijheid van onderwijs, waardoor religieuze en andere bijzondere scholen evenveel overheidsgeld krijgen als openbare, vindt alleen kritiek bij D66 en Groenlinks. D66 ziet wel een voordeel in een moderne invulling met nieuwe experimentele scholen maar wil het Grondwetsartikel aanpassen als het teveel beperkingen in de samenwerking en gemeenteregie oplevert. Groenlinks wil er helemaal vanaf. Bijzonder onderwijs moeten ouders maar in hun eigen tijd moeten doen.
Scholen met vormen van kinderopvang zijn wel populair. Een kind moet ook vroeger naar school. CDA, Groenlinks, PvdA, SP en D66 pleiten voor meer les voor peuters, meestal in combinatie met kinderopvang op school. De VVD vindt dat in overleg met gemeenten een voorschoolse opvang voor peuters moet komen met een leerplicht vanaf 4 jaar.

Opmerkelijk is dat het door het ministerie van onderwijs gesponsorde vernieuwingsplan, Ons Onderwijs 2032, nergens expliciet wordt genoemd, ook niet door de coalitiepartijen. Hier en daar zijn wel onderdelen uit de commissie Schnabel die Ons Onderwijs 2032 presenteerde, terug te vinden. D66 heeft de meeste vernieuwingsambities voor primair en middelbaar onderwijs. Naast taal, rekenen en kennis moeten digitale en sociale vaardigheden bijgebracht kennis, evenals samenwerken, zelfredzaamheid, burgerschap, privacy- en veiligheidsrisico’s van de digitale samenleving, culturele en seksuele vorming en begrip voor de gezamenlijke geschiedenis inclusief haar zwarte bladzijden. En dat alles in waarschijnlijk verkorte lestijd, omdat de leraren maximaal 20 uur per week les mogen geven. De meeste andere partijen zijn niet zo gedetailleerd. D66 heeft ook verreweg het omvangrijkste onderwijsprogramma.

Kleinere klassen

Groenlinks, de PvdA, D66 en de SP willen kleinere klassen. Dat is fijn voor iedereen en het levert volgens onderzoek ook beter resultaat op. Maar dat wordt anders als het met een beperkt budget moet worden afgewogen tegen andere prioriteiten. Het is ook onduidelijk waar de benodigde extra leraren wiskunde, Nederlands en andere tekortvakken vandaan moeten komen.
Volgens de meeste partijen moeten de poorten naar het hogere onderwijs zo ver mogelijk open. Het CDA wil ook de afgeschafte studiebeurs weer herstellen, Groenlinks wil die verruimen voor kinderen uit arme gezinnen. Er moet meer doorstroom zijn van mbo naar vwo door bijvoorbeeld zomerscholen en de mogelijkheid tot stapelen van opleidingen (PvdA, Groenlinks, D66, SP). Selectie voor opleidingen moet zoveel mogelijk worden vermeden. Hoger onderwijs is populair bij ouders en jongeren. Het verhoogt meestal de kans op een baan. De route van vmbo, naar havo, naar mbo, naar hbo naar universiteit moet open.

Maar hoe moet het hoger onderwijs de groeiende toestroom verwerken? De Utrechtse rector magnificus Bert van der Zwaan wees er in zijn boek ,,Haalt de universiteit 2040?’’ op dat er steeds meer jongeren naar de universiteit gaan maar dat de rijksbijdrage per student sinds 2000 met ruim een kwart is gedaald. Dat is de ontwikkeling op de lange termijn. VVD-Kamerlid Duisenberg zwaaide met het boek tijdens het Algemeen Overleg over hoger onderwijs deze week. Wie gaat het betalen en wat brengt het op? Over het algemeen doen landen met veel hoogopgeleiden het goed. Maar er komen meer kosten: werkenden tussentijds kunnen bijspijkeren om van loopbaan te veranderen. Moeten ze dat allemaal zelf betalen? Moet een tweede studie zo duur blijven als de eerste studie weinig perspectief meer biedt? De PvdA wil 10 miljard extra over de komende 15 jaar uitgeven maar dat gaat niet allemaal naar het hoger onderwijs. Het is tenminste een bedrag. De vraag is of onderwijs bij een volgend kabinet zulke hoge prioriteit zal krijgen, vergeleken bij zorg en veiligheid.

Blogger

Maarten Huygen

Maarten Huygen is redacteur onderwijs. Hiervoor was hij onder andere chef opinie, commentator en verslaggever voor NRC. Hij woonde 11 jaar in Washington, in de vroege jaren tachtig voor omroepen en bladen, in de vroege jaren negentig voor NRC.