Recensie

Nepnieuws over Willem van Oranje

Willem van Oranje (1533-1584)

Al lang is bekend dat Willem van Oranje als geslepen politicus over lijken ging. Twee jonge historici dachten iets nieuws te vertellen. Ze gingen slordig te werk en meden belangrijke bronnen. Oude biografieën hadden goede diensten kunnen bewijzen

‘Dit boek laat Willem van Oranje zien zoals hij werkelijk was. Een meedogenloze, opportunistische intrigant, die het met de waarheid niet zo nauw nam.’ Het is een vaderlijke aanbeveling van Duitslandkenner Willem Melching op de achterflap van Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands, geschreven door twee (oud)studenten Aron Brouwer en Marthijn Wouters. Twee jonge historici die Willem van Oranje ontmaskeren, de nieuwsmedia konden er de afgelopen weken geen genoeg van krijgen. De inzet van Brouwer en Wouters is dan ook hoog: Willem van Oranje geldt als een nationale, idealistische en zelfs smetteloze, volksheld. Een mythe die in de negentiende eeuw gestalte kreeg, en die nog altijd voortleeft. ‘Larger than life, dat is de prins nu, maar dat is hij niet.’

Wat volgt zijn tweehonderd bladzijden met een opsomming van Willem van Oranje’s intriges, complotten, pogingen tot staatsgreep, dictatoriale uitspattingen, moordpartijen, vervalsingen en afperserijen. Hoe large wil je het hebben?

Wandaden

De zoektocht naar de man achter de mythe begon voor Brouwer en Wouters al op de middelbare school, speurend in brieven en andere archivalia naar wandaden van Oranje. Ze vonden veel, en ze doen daar nu vlot en voortvarend verslag van. Komen ze met nieuws?

Nee, er zijn geen schokkende feiten te voorschijn gekomen die niet al eerder door andere historici zijn ontdekt. De mythe van de smetteloze volksheld die ze zeggen te bevechten, bestaat onder historici al vele decennia niet meer. K.W. Swart (1916-1992) schetste in zijn onvoltooid gebleven biografie Willem van Oranje en de Nederlandse Opstand 1572-1584 (in 1994 postuum verschenen) het beeld van een geslepen machtspoliticus, die over lijken ging en ondertussen de reputatie van zijn familie probeerde te bewaken. Er is een en ander tegen in gebracht, zoals er over allerlei onderdelen van Oranje’s functioneren als leider van de Nederlandse Opstand al jaren een levendig internationaal debat gaande is. Want Oranje is niet alleen larger than life, hij is ook groter dan Nederland.

Oranje was een radertje in het grote complex van de Europese godsdienstoorlogen, waarin machtspolitiek in combinatie met religieuze overtuigingen veel grof geweld en wetteloosheid wakker riep. Zonder een gezonde dosis opportunisme viel er niet te overleven. Dat uit die kluwen van belangen omstreeks 1600 een nieuwe wereldorde kon ontstaan, lijkt in 1570 nog geheel onmogelijk.

De internationale context, en ook de vakdiscussie daarover, speelt in het boek van Brouwer en Wouters nauwelijks een rol. Veel losse feiten, weinig verdieping en duiding. Het maakt de lectuur regelmatig erg monotoon. Met Willem van Oranje als een wel erg ééndimensionale slechterik. Vervelender is dat veel feiten niet kloppen of worden verhaspeld en dat oorzaak en gevolg niet goed uit elkaar gehouden worden.

Neem een willekeurige bladzijde, zeg, pagina 127, omdat het vandaag 27 januari is: er wordt verteld dat Oranje’s broer Lodewijk bezig is Brabantse steden te veroveren, terwijl hij op dat ogenblik met veel moeite de Henegouwse stad Bergen bezet houdt. Er staat vervolgens dat Oranje zich op 27 augustus 1572 bij Lodewijk voegt, terwijl hij die dag in de buurt van Roermond de Maas probeert over te steken, bijna 200 km verderop. En Alva zou, toen hij hierover hoorde, besloten hebben zijn troepen van Holland en Zeeland naar Brabant te verplaatsen. Maar Alva lag op dat moment met zijn troepen al geruime tijd Lodewijk uit te roken. Bij Bergen in Henegouwen dus.

We hebben het nog maar over een halve alinea. Waar halen ze het vandaan? Er wordt bladzijden lang over het ‘kasteel’ Katzenelnbogen gesproken, terwijl het toch echt om het gelijknamige graafschap gaat. August van Saksen is het ene moment de ‘vader’ van Anna van Saksen en dan weer de ‘grootvader’, terwijl hij haar oom was. Ze laten Willem van Oranje in 1567 het geuzenleger bij Oosterweel ‘afslachten’. Oosterweel staat zelfs onder bewierokers van Oranje bekend als een zwarte bladzijde, maar dan toch vooral omdat hij hulp aan de geuzen onmogelijk maakte door de Antwerpse stadspoorten te laten sluiten. Er wordt bij herhaling gesproken over Charleroi: ‘Ook de plaatselijke situatie in Charleroi was niet al te best.’ Fijn om daar even over bijgepraat te worden, maar Charleroi werd pas in 1666 gesticht, vernoemd naar de Spaanse koning Karel II, die in 1661 werd geboren. Ik kan het niet mooier maken.

Marienbourg

Dit moet toch uit een heel dikke duim komen. Nepnieuws. Het levert curieuze passages op. Zo staat op pagina 42 dat Willem ‘begon te verlangen naar een eigen fort’. Het is 1555, en Oranje bevindt zich in de buurt van het door vijand Frankrijk bezette Marienbourg. Wat zouden zijn superieuren, keizer Karel V en landvoogdes Maria van Hongarije van dit verlangen vinden? Volgens Brouwer en Wouters vond vooral Maria het maar niks. Oranje moest eerst maar eens de naar haar vernoemde vesting Marienbourg terugveroveren. Enzovoort. Uiteraard was het Karel V zelf die besloot dat er een fortificatie moest komen, en wel om Marienbourg in bedwang te kunnen houden. Het staat te lezen in dezelfde brievenuitgave die Brouwer en Wouters zeggen te gebruiken. Misschien dat het zestiende-eeuwse Frans toch wat lastig is, want dat is het.

Dat weerhoudt hen niet om de bronnen hier en daar de les te lezen: ze halen een spreuk van Willem van Oranje aan: ‘gardez vous bien de mes compte’, en zetten erbij ‘lees: comptes’, en zijn zo vriendelijk om een vertaling mee te leveren ‘houdt goed toezicht op mijn rekeningen’. Hun bron is de nogal impressionistische biografie van Henriette de Beaufort uit 1950, waar niet ‘mes compte’ staat, maar ‘mescompte’, ofwel mécompte: het zinnetje betekent dan ook zoiets als ‘hoedt u voor misrekening’.

Allerlei vakliteratuur die de auteurs voor dergelijke uitglijders had kunnen behoeden is niet gebruikt. Oude maar gedetailleerde biografieën als die van Rachfahl en Blok hadden goede diensten kunnen bewijzen. Ook moderne studies van bijvoorbeeld Parker, Van Nierop, Marnef, Duke en Groenveld ontbreken pijnlijk in de noten. Niets kapotchecken lijkt het devies.

Nog bevreemdender is het dat een van de belangrijkste bronnen van Brouwer en Wouters een lijvige studie van W.J.F. Nuyens uit 1865-1870 is. Hadden we niet begrepen dat ze nou juist de negentiende-eeuwse mythevorming te lijf wilden gaan? Nuyens vertolkte een katholieke visie, die destijds als contragewicht diende voor de Oranje-verheerlijking uit protestantse hoek, maar die zelf ook behoorlijk tendentieus was. Oranje kwam er gitzwart uit voorschijn, als iemand die uit zelfzucht het land in ellende had gestort.

Dit beeld paste mooi in het straatje van de twee scholieren die voor hun profielwerkstuk op zoek gingen naar de vuile handen van de Vader des Vaderlands. In plaats van de discussie los te maken van de negentiende-eeuwse mythevorming en zwartwit-schema’s, wordt ze er weer mee verknoopt.