Cultuur

Interview

Interview

Henri Swagemakers

Foto Lars van den Brink

‘Geld speelde wel degelijk een rol’

Henri Swagemakers (70) kocht vanaf zijn studententijd kunst. De Brabantse advocaat toont nu een keuze uit zijn verzameling in het Centraal Museum in Utrecht. ‘Ik heb alles zelf moeten leren.’

Boven de deur van de woonkamer hangen drie aquarellen van Marlene Dumas. In het trapgat pronkt een schilderij van Michael Raedecker. En in de tuin steekt een bronzen beeldje van Henk Visch boven het groen uit. „Dat heeft in 1992 ook op de Documenta gestaan”, vertelt kunstverzamelaar Henri Swagemakers (1946) trots.

Het huis van de Brabantse advocaat is van de kelder tot de nok gevuld met grote namen uit de moderne en hedendaagse kunst, nationaal maar ook internationaal. Ieder vrij plekje aan de muur is benut. Boven de televisie een portret van Leon Golub, op tafel een beeldje van Lynn Chadwick, boven het aanrecht een foto van Loretta Lux en in de boekenkast een verzameling uiltjes, gemaakt door Kiki Smith en Peter Vos.

De verzameling, die zo’n 800 werken telt, is het huis allang ontgroeid

Swagemakers woont nu een jaar of zes in dit vrijstaande huis aan de rand van Oosterhout. Hij liet het zo ontwerpen dat het de kunst maximaal dient: met hoge wanden, rondom ophangsystemen en daglicht dat door hoge ramen naar binnen valt. Maar de verzameling, die zo’n 800 werken telt, is het huis intussen allang weer ontgroeid. Daarom heeft de verzamelaar op een industrieterrein in Oosterhout een extra depot. Het is zijn persoonlijke kunstbunker, zijn schatkamer. Daar staan topstukken van Shirin Neshat, Inez van Lamsweerde, Paul McCarthy, Anton Corbijn, Rita Ackerman en Adriana Varejao tegen de muren geleund. „Thuis hangt wat ook mijn echtgenote Marie-Anne leuk vindt”, zegt Swagemakers, „maar die beperking heb ik hier niet.”

Kiki Smith. Foto Peter Cox

Sinds hij vorig jaar met pensioen ging, komt Swagemakers er vaak. De afgelopen weken heeft hij in zijn kunstdepot de selectie voor zijn tentoonstelling Jong geleerd! in het Centraal Museum „bij elkaar gescharreld”. In twee zalen van het Utrechtse museum mag hij vanaf zaterdag zijn keuze tonen. „Dat is slechts zestig vierkante meter muur. Vandaar dat ik heb gekozen voor kleine kunstwerken. Het liefst laat ik twee werken per kunstenaar zien.”

Een boerengezin uit Werkendam

Swagemakers is er trots op dat hij een selfmade man is. Zijn ouders waren allebei afkomstig uit een boerengezin. Hij groeide op in de Biesbosch bij Werkendam, waar zijn vader een boerderij had. Na de watersnood van 1953 braken in 1954 de dijken door. Het gezin moest de Biesbosch verlaten, vond vader, en kwam in Oosterhout terecht. De jonge Henri kreeg een strenge, katholieke opvoeding op diverse internaten en ging vervolgens rechten studeren in Utrecht. Als student was hij een regelmatig bezoeker van antiquariaten in Utrecht.

Daar begon het verzamelen, met oude boeken en topografische kaarten uit de zeventiende-eeuwse atlas van Blaeu. „Ik was toen twintig jaar. De eerste kaart die ik kocht, toonde precies het hoekje Brabant waar ik vandaan kwam, met Oosterhout en de Biesbosch.”

Thuis hangt alleen wat ook mijn echtgenote Marie-Anne leuk vindt

Via Marie-Anne, toen al zijn vriendinnetje, kwam hij in de jaren zeventig in contact met beeldende kunst. Haar stiefopa was de graficus en schilder Isidore van Mens (1890-1985). ‘Opa’ had boeken over schilders als Leo Gestel, Geer van Velde en Jan Mankes – kunstenaars die nu in zijn collectie te vinden zijn. Die studententijd is vormend geweest, zegt Swagemakers nu. Zijn interesse voor kunst is toen voor het leven gewekt. Vandaar dat hij zijn tentoonstelling ‘Jong geleerd!’ noemt. Hij hoopt dat de getoonde collectie, inmiddels eigendom van zijn kinderen, een inspiratiebron kan zijn voor de jongeren die nu in Utrecht studeren.

Zijn eerste serieuze kunstaankoop was een aquarel uit 1973 van de Utrechtse kunstenaar Peter Vos, die hij voor 1.000 gulden aanschafte bij Galerie Jas in Utrecht. „Best veel geld was dat, in 1975.” Daarna is hij „langs wegen der geleidelijkheid” en „niet gehinderd door enige kunstkennis” steeds vaker kunst gaan kopen, in de jaren tachtig via galeries als Hüsstege en Barbara Farber, later voornamelijk op internationale kunstbeurzen. „Het is een kwestie van ontmoeten”, zegt Swagemakers over de manier waarop hij aankoopt. „Ik heb geen kunstgeschiedenis gestudeerd. Ik heb alles zelf moeten leren. Als je niet weet wat er is, kun je niet zeggen wat je mooi vindt. Je moet galeries bezoeken, jezelf wegwijs maken, de drempel over durven, tijdschriften verslinden.”

Sommige galeries zijn net kartels

Veertig jaar lang runde Swagemakers zijn eigen advocatenkantoor in Oosterhout. Hij verdiende goed, maar zijn aankoopbudget kende beperkingen. „Geld speelde wel degelijk een rol.” Lachend vertelt hij hoe galeriehoudster Barbara Farber hem altijd pestte met zijn manier van aankopen. „Ik was daar kind aan huis. ‘Waarom verkoop ik toch aan jou?’, zei ze dan. ‘Je wilt korting, kiest het beste stuk en je betaalt laat.’ Ik antwoordde dan: omdat ik een liefhebber ben.”

Peter Vos. Foto Peter Cox

Maar dat betekent niet dat hij altijd voor het goedkoopste werk koos. Swagemakers wijst naar een klein schilderijtje van Geer van Velde uit 1960. „Dat is mijn favoriet. Ik heb het in 1981 gekocht bij Martin de Boer in Amsterdam. Dat was best een wilde aankoop. Dit schilderij was anderhalf keer zo duur als een ander werk in de expositie dat even groot was en uit dezelfde periode. Maar ik zag dat dit het beste was.”

Bij ieder werk dat hij aanwijst, heeft hij smakelijke anekdotes. „Voor die Robert Zandvliet heb ik lang moeten lobbyen bij een Weense galerie. Soms kom je er maar niet tussen, sommige galeries zijn net kartels. Dat zei ik ook tegen de galeriehoudster, ze wilde niet aan een Nederlander verkopen. Ik legde haar uit dat het in strijd was met het Europees kartelrecht om op die grond niet te verkopen. Een uur later mocht ik het hebben. Ik heb nu een uitstekende band met haar.”

Swagemakers volgt hoe ‘zijn’ kunstenaars het doen op de kunstmarkt. En heel soms veilt hij wel eens wat, om weer nieuwe werken te kunnen kopen. Hij wijst op de Braziliaanse kunstenares Beatriz Milhazes. „Van haar kocht ik in 1997 voor minder dan 10.000 dollar een schilderij. Mijn dochter wilde het ophangen in haar studiootje in Maastricht. Het bleek veel meer waard te zijn dan haar studio, toen heb ik besloten het te laten veilen in Londen. Het bracht 250.000 euro op. Barbara Farber zei later dat niemand bij haar Milhazes wilde kopen. Met enige neerbuigendheid vond men dat decoratieve kunst. Toen ik het kocht, had ik geen idee van een dusdanige toekomstige prijsontwikkeling. Het blijft een juweeltje.”

Liefde voor vrouwelijk schoon

Elizabeth Peyton. Foto Peter Cox

Terwijl Swagemakers zelf altijd trouw bleef aan de provincie, werd zijn collectie steeds internationaler. Vanaf 1982 bracht hij jaarlijks een bezoek aan Art Basel. „Dan zie ik in vijf dagen alles, ook de bijbeurzen.” Zonder hulp van deskundigen kocht hij wat híj mooi vond: Bhupen Khakhar, Nancy Spero, Anish Kapoor, Chris Ofili – werken die niet vanzelfsprekend in de Nederlandse musea te vinden waren. Door namen liet hij zich niet leiden. „Ik kocht waar ik iets voor voelde.”

Een omnivoor is hij. Een hamster, zo noemt echtgenote Marie-Anne hem pesterig. Als er al een rode draad te ontdekken is in de collectie, dan is het dat de meeste werken figuratief zijn. Op de tentoonstelling in Utrecht zullen voornamelijk portretten te zien zijn. „Ik heb wel een fascinatie voor het menselijk lichaam”, zegt Swagemakers, wijzend op een schilderij van Ina van Zyl, dat de heupen van een jong meisje toont. Maar ook de gefotografeerde modellen van Vanessa Beecroft, de geborduurde pornobeelden van Berend Strik en de geschilderde jonge dames van Elizabeth Peyton verraden zijn liefde voor vrouwelijk schoon. „Leuk hè, als ik ze laat zien, begin ik gewoon te glimmen.”

Een eigen museum, zoals verzamelaar Joop van Caldenborgh onlangs in Wassenaar is gestart, is niet zijn doel. „Ik heb niet zoveel cijfers voor de komma staan als hij op zijn bankrekening”, lacht Swagemakers. „Ik vertegenwoordig niet het kapitaal. Ik kan zo’n museum niet verwezenlijken. Het blijft bij mij een rationele kunstpassie.”