Recensie

Een lieve popmusicus in de luwte

Ry Cooder in Carré, 2009 Foto ANP/Toussaint Kluiters

Ry Cooder was vaak de juiste man op de juiste plek. Het heeft hem niet veel roem of succes opgeleverd; een echt grote naam is hij nooit geworden. Maar hij was erbij toen The Rolling Stones een ander geluid zochten aan het eind van de jaren zestig, en hij leerde Keith Richard om zijn gitaar in een G-akkoord te stemmen. Hij stond op het podium bij een eerbetoon aan Woody Guthrie, als een van de beste uitvoerders van de Dust Bowl ballads. Hij had grote invloed op het vroege werk van Captain Beefheart, Randy Newman en Van Dyke Parks. Hij was de eerste die een album geheel digitaal opnam (en kreeg daar snel spijt van). Wim Wenders vroeg hem voor de muziek voor Paris, Texas – en imitaties van die soundtrack hebben nog jaren talrijke commercials en tv-films verrijkt waarin ook maar een stukje woestijn of auto te zien was. En, zijn grootste succes: hij produceerde de Cubaanse gelegenheidsformatie Buena Vista Social Club op een van de succesvolste wereldmuziekalbums ooit, een jaar of twintig nadat hij in Mexico en op Hawaï voor het eerst met niet-Amerikaanse klanken op zijn albums had geëxperimenteerd.

Het was allemaal niet ter meerdere eer en glorie van zichzelf, want zo beroemd als Paris, Texas of die ouwe Cubanen zijn, is hij nooit geworden. Reden voor de Belgische muziekschrijver Wouter Bulckaert om Cooder (1947), die hij een meester in de schaduw noemt, een kleine vierhonderd pagina’s in het spotlicht te zetten. En dat is iets te veel van het goede. Want Bulckaert behandelt zo ongeveer elk soloalbum in groot detail, en hoewel hij de platen met merkbare liefde beschrijft, zijn die beschrijvingen erg repetitief. Het is niet de enige keuze die hij gemaakt heeft die ongelukkig uitpakt: Bulckaert vertelt veel anekdotes in fictieve vorm, en dat maakt ze niet sterker.

Bulckaert is de veelzijdigheid van Cooder te lijf gegaan door de verschillende kanten van diens werk uit elkaar te halen. Cooder is soloartiest, sessiemuzikant, filmmuziekmaker, wereldmuziekliefhebber, protestzanger, en natuurlijk gitarist. Hij behandelt die aspecten in eigen hoofdstukken en dus springt zijn boek nogal onevenwichtig door de jaren heen. En hoewel hij wel degelijk oog heeft voor de vraag waar Cooder in zijn carrière naar op zoek is, komt hij dus bij lange na niet aan een antwoord toe.

Misschien is dat ook wel te veel gevraagd voor een muzikant die vooral in de schaduw opereert. Een hondstrouwe familieman die een hekel heeft aan promotionele activiteiten, maar die voor het bandje van zijn zoon en diens vrouw graag bereid is in de openlucht voor een radio-ontbijtshow de sterren van de hemel te spelen. Die de verdwenen wijk Chávez Ravine in Los Angeles weer tot leven roept (en Bulckaert schrijft fraai over dat late album, misschien wel een van zijn beste). Die een hekel heeft aan toeren, maar áls hij het doet, pakt hij het zo groots aan dat hij er verlies op lijdt. Een sessiemuzikant die meestal in één take de juiste partij te pakken had, waarna producers vaak om nog een paar extra takes vroegen, gewoon om nog wat langer naar Cooder te kunnen luisteren. Een protestzanger après la lettre.

Het is lastig om deze identiteiten onder een noemer te vangen. Het is Wouter Bulckaert dan ook niet gelukt. Maar wel stuurt hij de lezer met zijn enthousiasme regelmatig naar de platenkast, en dat blijft de beste plek om iemand te ontdekken die al vijftig jaar de voorkeur geeft aan de luwte als verblijfplaats.