Recensie

Een dialoog over een bezetene

David Foster Wallace (1962-2008)

Voor liefhebbers schreef hij literair vuurwerk. Daarom een tweegesprek over de bizarre verhalen van een depressief ‘genie’, waarin de vragen van de vragensteller zijn weggelaten.

David Foster Wallace, thuis in Bloomington,Illinois Foto Marion Ettlinger/Corbis/ Getty Images

‘Nou, dat ik er soms geen touw aan kon vastknopen, maar dat ik toch ben blijven doorlezen omdat er, dikwijls als ik op het punt stond het boek dicht te slaan een briljante omslag plaatsvond, of nee, ik noem het liever geen omslag maar een punt van inzicht waardoor het verhaal ineens betekenis kreeg, een betekenis die moeilijk samen te vatten is, zoals het überhaupt bijna onmogelijk is samen te vatten wat David Foster Wallace met deze bundel wil zeggen. Misschien moeten we ons tevreden stellen met de constatering dat hij eindeloos gefascineerd bleef door de mogelijkheden van wat je met taal op papier kunt doen. Voor liefhebbers van literair vuurwerk, die zich willen vastbijten in moeilijke exercities valt er veel te beleven.”

[...]

„Ja wel degelijk, in het titelverhaal ontwikkelt zich dikwijls een lijn en zet de sprekende man zichzelf neer in zijn, inderdaad, dikwijls afgrijselijke gedaante. Misogyn, zelfingenomen, en vooral erg bezig met zijn seksuele handelingen te rechtvaardigen, hoe bizar die soms ook zijn. Het probleem is, hoewel, probleem is een wel erg zwaar woord voor wat je ook literaire speelsheid (hoewel, nee, ook ‘speels’ is niet een echt toepasselijk woord) zou kunnen noemen, is dat dat titelverhaal in vier delen wordt opgediend, verspreid over het hele boek waarvan het ruim een derde in beslag neemt. Soms heeft het de vorm van een dialoog, maar vaker van een monoloog, af en toe onderbroken door een vragensteller, wiens vragen weggeretoucheerd zijn. Maar evenmin als je over die persoon iets te weten komt geeft de auteur contouren aan die afgrijselijke mannen, afgezien van de obsessieve gedachten die ze vaak defensief spuien. En dat is…”

[...]

„Nee, het enige dat hij doet is elke monoloog laten voorafgaan door een beknopte melding van plaats en tijd, zoals KG/3 11-94, Trenton NJ. Alsof het de aantekening op een cassette is waarop het gesprek of de monoloog is vastgelegd. Wist je dat die titelverhalen voor het theater en een tv-film bewerkt zijn? Daar ben ik wel benieuwd naar.”

[...]

„Dat weet ik, maar ik vind dat er soms wel heel makkelijk met dat woord ‘genie’ wordt omgegaan. Een zekere mate van onleesbaarheid en soms, vergeef me dat ik het zeg, pure nonsens wordt dan al snel grote literaire waarde toegeschreven. Nee, dat beweer ik niet maar probeer jij me maar eens uit te leggen waar een verhaal als Datum Centurio over gaat, als je het al een verhaal kunt noemen. Ja, ik weet wat je nu gaat zeggen, dat dit een geborneerde opmerking is, van het soort dat mensen in musea maken als ze vragen wat een schilderij voorstelt.”

[...]

„Jazeker, er staan nog zo’n kleine twintig andere verhalen in, variërend van één pagina tot vele tientallen. Een flink aantal daarvan wordt voortgestuwd door een bezetenheid die aan woede grenst. In het verhaal Op zijn doodsbed, met je hand in de zijne, verzoekt de vader van de aanstormende experimentele toneelschrijver je om een gunst. Het is een (te) lange uitbarsting van walging die de spreker, als de vader zijn einde voelt naderen, jegens zijn zoon voelt die hem in het ziekenhuis opzoekt. Hij veracht hem al vanaf het moment van zijn geboorte, hoe hij het lichaam van zijn moeder (‘mijn meisje’) mismaakte. ‘De incontinentie. Het braaksel. Die lucht alleen al. Het misbaar. De gederfde slaap. De zelfzucht, de ontstellende zelfzucht van de pasgeborene. [...] De krankzinnige prijs van plastic troep in pastelkleurtjes. De cloacale stank van de kinderkamer. De eindeloze stroom wasgoed.’ En dat gaat bijna dertig pagina’s door, waardoor Wallace succesvol een man schetst die afgrijselijker is dan de personen uit zijn titelverhalen.”

[...]

„Nou ja, nu je er op aandringt… Hij groeide op in Champagne, Illinois, leed aan zware depressies en hing zichzelf op 46-jarige leeftijd op. Het dichtst bij zijn eigen gemoedstoestand komt hij wellicht in het verhaal De depressieve persoon, met de beschrijvingen van de medicatie om de depressieve vrouw ‘vooruit te helpen op haar pad naar een enigszins acceptabele benadering van een normaal volwassen leven: Paxil, Zoloft, Prozac, Tofanil, Welbutrin, Elavik, Metrazol, Parnate met en zonder lithiumzouten, Nardil met en zonder Xanax…’ Zijn oeuvre werd al tijdens zijn leven uitbundig geprezen, met name de roman Infinite Jest en zijn in meer uitgaven gebundelde non-fictie. Eén essay trok bijzondere aandacht, waarin hij van leer trok tegen de Great Male Narcissists onder de Amerikaanse romanschrijvers. Vooral Updike moest het ontgelden. Hij was ook een zeer begaafd tennisser en heeft daar mooi over geschreven. Wat ook wel relevant is te vermelden….”

[...]

„… o dus je vindt dat ik al lang genoeg aan het woord ben. Mag ik dan nog wel een saluut brengen aan de vertalers? Een bijna onmogelijke opgave, zo’n boek, maar voortreffelijk gedaan. En nee, laat die voetnoten bij dit gesprek maar weg, dat leidt alleen maar af.”