duurzame energie

De hoeveelheid elektriciteit uit Europese windmolenparken op zee stijgt, maar niet zo snel als in 2015

Ondanks een kleine terugval in 2016 is het opwekken van elektriciteit uit wind op zee sterk toegenomen. In de Europese wateren staan 81 windparken, verdeeld over tien landen. Bij elkaar hebben die een vermogen van 12,6 gigawatt (GW). Gemiddeld produceerden ze tussen de 33 en 43 procent van wat ze maximaal kunnen halen, ook wel uitgedrukt als capaciteitsfactor. Dat staat in het jaarverslag dat Wind Europe, de koepel van de Europese offshore windindustrie, donderdag heeft gepubliceerd.

In het Verenigd Koninkrijk haalden de parken op zee afgelopen december 68 procent van hun capaciteit, in België was dat minder dan 40 procent. Er kwam in 2016 de helft minder vermogen bij dan een jaar eerder. Dat is volgens de opstellers van het rapport een tijdelijk verschijnsel omdat nog veel windparken op zee in aanbouw zijn. Zo worden in Nederland vijf grote windparken voor de kust aangelegd. De eerste twee, voor de kust van Walcheren, zijn aanbesteed.

De verwachting is dat windparken op zee in 2020 ongeveer twee keer zoveel vermogen (24,6 GW) zullen leveren. De turbines worden groter. De gemiddelde turbine had in 2016 een vermogen van 4,8 MW. Intussen zijn ook de eerste turbines van 8 MW geïnstalleerd.

Siemens leverde tweederde van de turbines voor wind op zee. Het Deense Vestas staat met 16 procent op de tweede plaats. Het Nederlandse SIF levert de meeste funderingen voor windmolens. De in Roermond gevestigde buizenmaker heeft bijna een kwart van alle funderingen van windmolens op zee gemaakt. Afgelopen jaar werd een nieuwe vestiging van SIF op de Maasvlakte geopend. (NRC)