Opinie

De UvA wilde mij eerst niet hebben

Dwarsliggers, laatbloeiers, dieseltjes. Zonde als je die bij de poort afwijst, betoogt .

Wellicht horen er minder studenten thuis op de universiteit dan het grote aantal dat we nu jaarlijks verwelkomen, schreef hoogleraar psychologie Denise de Ridder in een opiniestuk op nrc.nl (Je bent jong, lakt je nagels en studeert wat, 24 januari). Scherp de toegangsnormen aan, betoogde ze.

Ik herken het beeld dat ze van de collegezaal schetst. Facebooken, zielloos voor je uit staren. Ik zag zelfs een keer een aantal medestudenten een tosti-ijzer aansluiten. De opgegeven literatuur is uiteraard niet gelezen en elke keer als de docent een antwoord op een vraag verwacht, volgt er een pijnlijke stilte.

Ook ik ben geen modelstudent of academisch wonder. Ik wist zelfs binnen het eerste jaar een stoeltje tegenover de examencommissie in een universiteitsrechtzaak te bemachtigen. Maar omdat ze mij in mijn gelijk moesten stellen, werd ik met een zuur gezicht en de mededeling dat mijn persoonlijkheid wellicht niet geschikt was voor de universiteit, toch toegelaten tot het tweede jaar.

In het tweede jaar was het aantal studenten teruggedrongen naar eenderde van het aantal dat zich in het eerste jaar had aangemeld. De werkgroepen werden steeds kleiner en van mijn vijftienkoppige introductiegroep waren nog welgeteld twee zielenpoten over, inclusief mezelf.

Tijdens de werkgroepen werd er ineens opgelet, meegedaan en ook schitterden er niet meer grote aantallen studenten door afwezigheid. Het derde jaar volgde diezelfde koers, en voor ik het wist paste onze hele opleiding in een lullig collegezaaltje.

Ook persoonlijk merkte ik verandering. Ik begon de werkwijze van de universiteit te begrijpen en mijn cijfers gingen van gemiddeld een zes naar een zeven. Wat beleidsmakers zich niet realiseren is dat niet alle studenten knip en klaar bij de poort worden afgeleverd. Er zijn dieseltjes, laatbloeiers, dwarsliggers en combinaties van dat alles die het niet aan talent of intelligentie maar aan know-how ontbreekt. Iets wat op den duur vaak goed komt, ze leren zichzelf academisch te functioneren.

Het bij voorbaat ‘typecasten’ en het stellen van nog hardere tussentijdse eisen is daarom onzinnig. Het volledige studietraject is al veeleisend genoeg, dat scheidt al het kaf van het koren. Door de drempel te verhogen vang je geen talent weg, je sluit slechts studenten die (nog) niet in het plaatje passen buiten. Dat is verkwisting van talent.

Om een beeld te vormen van de groep mensen die op de universiteit thuishoort, moet je geen collegezaal van het eerste, maar van het laatste jaar bestuderen. De mensen die er niet thuishoren zijn er dan niet meer. Net als bij een marathon. De mensen die het volgens Bert van der Zwaan, rector aan de Universiteit Utrecht, zogezegd ontbreekt aan talent, discipline en ambitie (Interview – Hoger onderwijs, daar hoort echt niet iedereen in, 10 januari) zijn al lang naar huis . Selecteer studenten dus niet op basis van potentie. Onderwijs moet kansen bieden. Wie ongeschikt is, valt af. Wie ongeschikt lijkt, verdient een kans om het tegendeel te bewijzen.