Recensie

De schrijver en de dirigent doen niet voor elkaar onder

Haruki Murakami

Het nieuwe boek van de Japanse schrijver gaat helemaal over muziek en bestaat uit ‘gestructureerde’ gesprekken met de dirigent Seiji Ozawa. De schrijver kan luisteren als geen ander.

Seiji Ozawa dirigeert ‘zijn’ Saito Kinen Orchestra in de Carnegie Hall, New York, op 18 december 2010 Foto Hiroyuki Ito/Getty Images

De vele lezers van de Japanse romanschrijver (en eeuwige Nobelprijskandidaat) Haruki Murakami (1949) kan het niet zijn ontgaan dat hij een buitensporige liefde heeft voor muziek. Zijn favoriete jazzstandards, popsongs en klassieke composities duiken voortdurend op in zijn werk, van de beroemde song van John Lennon in Norwegian Wood, tot de ‘Années de Pèlerinage’ van Franz Liszt in De kleurloze Tsukuri Tasaki en zijn pelgrimsjaren.

Toch is Absolutely on Music. Conversations with Seiji Ozawa zijn eerste boek dat helemaal over muziek gaat. Het boek is de weerslag van ‘gestructureerde gesprekken’ – interviews zijn het niet, want daarvoor is Murakami te vaak zelf aan het woord – met de beroemde Japanse dirigent Seiji Ozawa (1935). In de herfst van zijn carrière, gehinderd door gezondheidsproblemen, wilde de dirigent terugblikken op zijn muzikale leven.

Ozawa was als jongeman assistent van Herbert von Karajan en van Leonard Bernstein. Hij brak als eerste Aziatische dirigent door in het Westen en was 27 jaar muzikaal leider van het vooraanstaande Boston Symphony Orchestra. Daarnaast is hij oprichter van het Japanse Saito Kinen Orchestra. Er valt dus heel wat muzikale geschiedenis met hem te bespreken.

Toch is Ozawa niet altijd een bevredigende gesprekspartner. Hij is het soort musicus dat aan intensieve studie van de partituur, en alleen de partituur, genoeg heeft om tot zijn muzikale interpretaties te komen. Hij houdt zich niet noodzakelijk bezig met culturele en historische achtergronden van de muziek. Dat valt te respecteren, maar kan hinderlijk zijn voor een conservatie. Ozawa’s geheugen is bovendien niet al ter sterk.

Ondanks zijn internationale loopbaan is zijn Engels ook altijd beperkt gebleven. Om die reden zat Ozawa als assistent weliswaar op de eerste rij toen Leonard Bernstein geschiedenis schreef met zijn Mahler-uitvoeringen in New York in de jaren zestig, maar is hem dus ook veel ontgaan. Zijn herinneringen zijn desondanks bij vlagen interessant, maar blijven steken in heel algemene termen. Daar moeten de gesprekken het niet echt van hebben.

Wat Absolutely On Music toch de moeite waar maakt, komt voor een belangrijk deel door Murakami. De schrijver en de dirigent doen weliswaar niet voor elkaar onder als het gaat om hun liefde voor muziek, maar de wereld van de fanatieke liefhebber en die van de beroepsmusicus is tegelijkertijd uiterst verschillend. Er gaapt een diepe kloof tussen de mannen.

Platenverzamelaar

Voor Ozawa ontstaat de muziek in de eerste plaats in zijn hoofd, als hij de noten bestudeert in de partituur. Dat is een manier van ‘luisteren’ die voor Murakami niet is weggelegd. Daarvoor moet je een volleerd professional zijn. Murakami leest niet of nauwelijks noten, maar is een fervent platenverzamelaar; zijn collectie beslaat zo’n 10.000 platen. Hij weet meer van de discografie van Ozawa dan de maestro zelf. En zoals elke verzamelaar van klassieke muziek is hij gefascineerd door al de kleine en grote verschillen tussen verschillende uitvoeringen van zijn favorieten. Dat laatste interesseert Ozawa dan weer beduidend minder en hij waarschuwt Murakami zelfs dat hun gesprekken niet alleen interessant mogen zijn voor platenverzamelaars.

De twee mannen draaien veel om elkaar heen, vinden elkaar soms en praten dan weer langs elkaar heen. Maar juist die verschillen maken de gesprekken waardevol en leerzaam.

Murakami is een aandachtig en begaafd luisteraar, die gefascineerd is door klank. Hij kan goed uitleggen hoe de klank van symfonische muziek op platen zich de laatste vijftig jaar heeft ontwikkeld: van de meer op de ‘totaalklank’ van het orkest gerichte opvattingen van de jaren vijftig tot de meer analytische en gedetailleerdere hedendaagse orkestklank. Een stijl van musiceren waarbij emoties centraal staan heeft plaatsgemaakt voor een meer intellectuele benadering van de muziek, waarbij de emoties pas een rol mogen spelen ná grondige analyse. Dat laatste heeft duidelijk Murakami’s voorkeur.

Het terugluisteren van zijn oude opnamen levert bij Ozawa niet zo gek veel op. Maar er is gelukkig toch een gemeenschappelijke uitweg voor de gesprekspartners. Murakami is niet alleen gegrepen door klank, maar ook door de verhalen van de musici achter de muziek, en de vraag hoe grote muziek ontstaat; welbeschouwd iedere keer opnieuw een wonder. Daarover heeft Ozawa wél veel te vertellen, vooral als hij kan uitweiden over zijn geliefde masterclasses met jonge talenten.