Recensie

De oogst van het neoliberalisme

Het einde van Neoliberaal Europa

Na de val van de Muur in 1989 rukte het neoliberalisme ook op het Europese continent op. Maar het bracht niet de voorspoed die economen als Milton Friedman hadden voorspeld. Nu loopt het neoliberale tijdperk ten einde.

Ex-premier en leider van de populistische partij PiS Jaroslaw Kaczynski bij de 35ste herdenking van de staat van beleg in Warschau, 13 december 2016 Foto Kacper Pempel/ Reuters

Neoliberalen zijn net communisten, merkt de Duitse cultuurhistoricus Philipp Ther op in Europe since 1989. A History. Orthodoxe marxisten geloofden dat op de onvermijdelijke ineenstorting van het kapitalisme eerst een socialistische fase zou volgen, zo legt Ther (1967) uit in de Engelstalige editie van zijn in Duitsland bejubelde studie uit 2014 over Europa na de val van de Muur. In de socialistische overgangstijd zou een sterke staat de klassenloze maatschappij tot stand brengen. Vervolgens zou de overbodig geworden staat afsterven en was met het eeuwigdurende communisme het einde van de geschiedenis een feit.

Ironisch genoeg geloofden fanatiek anti-communistische westerse economen als de Amerikaan Milton Friedman (1912-2006) op soortgelijke wijze dat er een machtige centrale bank en staat nodig waren om na de val van de Muur kapitalistische ‘hervormingen’ door te voeren in de voormalige socialistische landen van Oost-Europa. Als het kapitalisme na enige tijd vaste voet aan de grond had gekregen, zou de ‘onzichtbare hand’ van de markteconomie het maatschappelijke leven kunnen bestieren en kon de staat tot een absoluut minimum worden beperkt.

De Sovjet-Unie en haar Oost-Europese satellieten zijn blijven steken in de socialistische fase en hebben het communistische paradijs nooit bereikt. Integendeel, in de jaren tachtig raakten de socialistische planeconomieën in het slop, zo laat Ther in het begin van zijn boek lezen. Niet het kapitalisme, maar het socialisme ging omstreeks 1990 ten onder aan ‘interne crises’ en revoluties. Maar ook het neoliberalisme, dat vervolgens onder druk van het Internationaal Monetair Fonds en andere geldschieters met harde hand werd ingevoerd, heeft niet de beloofde welvaart en overvloed gebracht.

Rampzalige neergang

Zeker, na een vaak rampzalige economische neergang in veel voormalige socialistische landen, ging het vanaf midden jaren negentig beter, schrijft Ther. Zo groeide het Bruto Nationaal Product (BNP) van Polen toen met zes tot acht procent per jaar, maar of het Poolse wonder kwam door de neoliberale hervormingen, betwijfelt Ther. Bovendien zegt de groei van het BNP niet zo veel over de ontwikkelingen van een land: de verschillen tussen bijvoorbeeld de grote steden en het platteland in Polen zijn alleen maar groter geworden. Warschau is een boomtown met nieuwe, glanzende wolkenkrabbers van sterachitecten als Daniel Libeskind, maar niet ver buiten de Poolse hoofdstad waan je je in de negentiende eeuw. Polen bestaat nu uit twee landen, merkt Ther op: het Polen van de goed opgeleide jongeren met een kosmopolitisch leven in de grote steden, en het ‘Polska B’ van arme ouderen en plattelandsbewoners die niet mee kunnen komen in het postcommunistische tijdperk.

Toch is Europe since 1989 niet de zoveelste modieuze tirade tegen het neoliberalisme, waarschuwt Ther in zijn inleiding. Er is weliswaar geen bewijs voor de bewering dat de neo- liberale triade – draconische bezuinigingen op de staatsuitgaven, privatisering van staatsbedrijven en deregulering – de oorzaak is van de toegenomen welvaart in Polen, maar landen als Oekraïne en Roemenië die zich niet overgaven aan de economische shocktherapie, zijn nog slechter af. Economisch succes van de vroegere Oostblokstaten is vooral afhankelijk van wat Ther ‘sociaal kapitaal’ noemt. Dit was in Polen met zijn goed opgeleide bevolking en breed gedragen oppositiebewegingen als Solidarnosc in het revolutiejaar 1989 veel groter dan in Roemenië dat een uiterst repressief regime kende dat elk sociaal leven verstikte.

Europe since 1989, dat oorspronkelijk de betere titel Die neue Ordnung auf dem alten Kontinent heeft, heet Thers boek, maar het gaat vooral over Oost-Europa. Hier vonden dan ook de grootste veranderingen en stormachtigste ontwikkelingen in Europa plaats, die ten slotte ook de rest van Europa, en dan vooral Duitsland, raakten.

Rode draad is de opkomst en verbreiding van het neoliberalisme. Die begon met het aantreden van Margaret Thatcher in 1979 als premier van het Verenigd Koninkrijk. Op het continent vond haar hardhandige hervorming van de verzorgingsstaat, waar volgens Thatcher ‘geen alternatief’ voor was, eerst weinig navolging. Pas toen het Oostblok in 1990 ineenstortte, ontmantelden verschillende Oost-Europese landen op Thatcheriaanse wijze hun planeconomieën om ruimte te maken voor de markteconomie.

De tekst gaat verder na de video

Stormachtige ontwikkeling

Uiteindelijk had de nieuwe, neoliberale orde in verschillende Oost-Europese landen ook gevolgen voor de Duitse ‘sociale-markteconomie’. Toen een kolossale geldstroom naar de nieuwe Oost-Duitse deelstaten van de Bondsrepubliek na tien jaar nog steeds niet had geleid tot een economische opleving, paste Duitsland zich aan het neoliberale Oost-Europa aan en ‘hervormde’ de regering onder leiding van de sociaal-democraat Gerhard Schröder de verzorgingsstaat. Om de forse verlaging van de sociale uitkeringen in het kader van de Harz-wetten te rechtvaardigen, gebruikte Schröder zelfs de woorden van Thatcher over haar beleid: ‘There is no alternative’, een kreet die neoliberalen de afgelopen decennia zo vaak hebben gebezigd dat die is afgekort tot TINA. Later zou Schröders opvolger Angela Merkel TINA herhalen, toen Griekenland tijdens de eurocrisis in grote financiële problemen kwam en door de Europese Unie een zwaar regime van bezuinigingen, privatiseringen en deregulering kreeg opgelegd.

Ther vertelt de geschiedenis van de verbreiding van het neoliberalisme in Europa op een bijna journalistieke wijze. Politieke en sociaal-economische beschouwingen wisselt hij af met beschrijvingen van zijn eigen ervaringen en de lotgevallen van vrienden en familieleden in het post-communistische Oost-Europa. Ook maakte hij een rondtocht langs Midden- en Oost-Europese steden als Warschau, Praag en Berlijn, waarbij hij vaststelt dat de hoofdstad van de verenigde Duitslanden in de versukkeling raakte. In het hoofdstuk over Italië, het enige land buiten Midden- en Oost-Europa dat hij uitgebreid behandelt, stelt hij vast dat de jeugdwerkloosheid er buitengewoon hoog is en dat de jongeren die wél werk hebben, veelal zo slecht worden betaald dat ze er niet van kunnen leven en thuis blijven wonen.

Populistische partijen

Italië is hard toe aan ‘hervormingen’, stelt Ther vast, maar hij denkt dat de problemen van de Italiaanse verzorgingsstaat zo groot zijn dat ze onoplosbaar zijn. Een van de hinderpalen voor ‘aanpassing’ zijn de populistische partijen die daar al in de jaren tachtig opkwamen en die zich telkens keren tegen neoliberale maatregelen. Inmiddels zijn in bijna elk Europees land, ook Duitsland, populistische partijen of bewegingen ontstaan die op veel steun kunnen rekenen. In Hongarije en Polen regeren nu zelfs populisten onder leiding van Viktór Orban en Jaroslav Kaczynski.

Ther ziet het populisme als een uiting van de onvrede over de neoliberale orde die onder grote delen van de Europese bevolking leeft. En al acht hij zich als historicus niet in staat om goede voorspellingen te doen, hij voorziet het einde van het neoliberale tijdperk en van TINA: de populisten suggereren dat ze een alternatief hebben voor ongebreidelde marktwerking. Wat er voor de neoliberale orde in de plaats komt, valt niet zeggen. Maar ‘de politieke antwoorden op het neoliberalisme zouden wel eens nog explosiever kunnen zijn dan de economische gevolgen’, schrijft Ther dreigend in het voorwoord dat hij afgelopen zomer voor de Engelse editie van zijn somber stemmende recente geschiedenis van het neoliberale Europa schreef.