Recensie

De Leeuws ‘Abschied’ is ook 40 jaar later nog imposant

Reinbert de Leeuw heeft het componeren meermaals definitief vaarwel gezegd. Voor het eerst deed hij dat in 1973, met Abschied voor groot orkest. Edo de Waart, die indertijd de première dirigeerde en het stuk op de plaat zette, leidde afgelopen week een zeldzame herneming.

De Leeuw reflecteert in Abschied op het imploderen van de muziek aan het begin van de twintigste eeuw. Dat tijdvak fascineert hem, zegt hij, mateloos: het oplossen van Duitse romantiek en expressionisme in de atonale verbeelding van een nieuwe tijd. Muziek over muziek dus, uit begin jaren 70 – werkt dat nog wel?

Driewerf ja. Abschied is een woedend, origineel werk dat fier overeind staat en je met geweld bij de strot grijpt. De voornaamste reden dat het geen repertoire hield lijkt de exorbitante bezetting, maar jammer is het wel. Hoe zou Gatti dit doen? Hoe had Boulez het gedaan?

Abschied voltrekt zich als tweestrijd. Zinderende, laat-romantische strijkersakkoorden willen zich uitstrekken, maar worden bestookt door knallen die als bommen uit koper en slagwerk vallen. De voortgang is gefragmenteerd, maar de collage van effecten en bijna-citaten heeft een haast dansant ritme. Briljant is de poging tot een daverend slot: een majeur-akkoord wordt aangetikt, maar loopt leeg als een ballon. In plaats daarvan klinkt een schimmig, tektonisch schuiven van klankwerelden.

    • Joep Stapel