Recensie

Bluffen, liegen en versieren

Max Woiski (1911-1981)

Met zijn Caribische muziek werd deze zwarte jazzmusicus een legende in Nederlandse nachtclubs. Net als bij zijn zoon bleven zijn hits eendagsvliegen.

Hoes van een plaat van Max Woiski sr.

Het woord neger was een aanbeveling in de jaren dertig en veertig, toen steeds meer Surinamers naar Nederland kwamen. Nederland werd hun voorgespiegeld als een luilekkerland – vooral als ze emplooi in de muziek kwamen zoeken.

De grote mode van die dagen was de jazz, maar menigeen meende dat de veelal door blanken gespeelde variant eigenlijk geen jazz mocht heten. De zwarte Surinamers kwamen zodoende als geroepen; ze waren weliswaar geen authentieke Amerikanen, maar konden daar heel goed voor doorgaan. Vooral als ze zich presenteerden onder een Amerikaanse artiestennaam en ze optraden in etablissementen met toepasselijke benamingen: The Negro Kit Kat Club in Amsterdam, The Shim Sham Negro Club in Den Haag, de Negro Melody Club in Scheveningen. Het Negro Palace aan het Thorbeckeplein in Amsterdam adverteerde met ‘Wereldvermaarde Neger Solisten.’

Max Woiski (1911-1981) was een van hen. Hij heette echt zo, als nazaat van de Poolse baron Gustav Erdmann Adalbert von Woisky, die in de 19de eeuw naar Suriname was gekomen en zijn slavin annex geliefde bij haar vrijlating toestemming gaf de naam Woiski te dragen. Max voer in 1936, als 25-jarige jongeman, naar Nederland. In zijn bagage bevond zich zijn flageolet, de kleine houten fluit met kleppen die hij thuis in Paramaribo zo vaardig had leren bespelen.

Net als de meeste andere Surinamers vond Woiski spoedig emplooi in jazzclubs. Ook maakte hij kennis met de omgekeerde discriminatie die destijds de rigueur was. Toen hij eens met een orkestje moest spelen in een café in Oostvoorne, klaagde de eigenaar dat de orkestleider zo’n lichte huidskleur had. Men had de cafébaas immers ‘negermuzikanten’ beloofd. ‘Voor de kleur heb ik toen een gitzwarte trompettist aan het orkestje toegevoegd’, vertelde Woiski later, ‘wat de klankkleur nou weer niet ten goede kwam, want de arme jongen kon niet tellen.’ Maar voor de horeca gold nu eenmaal de regel dat veel zwart belangrijker was dan goede muziek.

Fijnproevers

In één opzicht week Woiski echter af van zijn collega-muzikanten. Min of meer bij toeval raakte hij gespecialiseerd in een aanstekelijke mengeling van Caribische en Cubaanse ritmiek – en juist daardoor werd hij uiteindelijk heel wat beroemder dan de anderen die hun jazzpubliek allengs zagen inkrimpen tot er slechts kleine groepjes fijnproevers overbleven. Toen hij in de zomer van 1940 zijn eigen club opende in de Amstelstraat in Amsterdam (La Cubana geheten) groeide daaruit een drank- en dansgelegenheid die tot halverwege de jaren zestig een vertrouwd verschijnsel vormde in het hoofdstedelijke uitgaanscircuit. Mede dankzij het vrolijke succeslied BB met R (Bruine bonen met rijst) dat in de jaren vijftig door heel Nederland werd meegezongen.

Ariërverklaring

Over deze Woiski gaat het onderhoudende boek Bruine bonen en kouseband van Patrick van den Hanenberg (1953), waarin ’s mans leven en werken fleurig en met vaart worden beschreven. Het vertelt hoe Woiski wegens zijn lichte huid de bezetting doorkwam met een Ariërverklaring die hem was verstrekt omdat hij ‘geen Neger’ was. Hoe hij de klanten in zijn club paaide: ‘Wanneer een nieuwe bezoeker met een mooie dame aan zijn zijde – en ach, ze hoefde eigenlijk helemaal geen schoonheid te zijn – de club binnen wandelde, gaf Max het orkest een stopteken en werd terstond de Rodgers & Hart musicalhit The most beautiful girl in the world ingezet.’ En hoe de garderobe voor extra inkomsten zorgde: ‘Entree in La Cubana was gratis, maar bij binnenkomst moesten gasten wel tegen betaling hun jas afgeven. Bij vertrek waren de meesten zo aangeschoten dat ze nog een keer betaalden.’

Alles bij elkaar moet Woiski een gewiekst zakenman zijn geweest, wiens levenshouding door de biograaf pakkend wordt samengevat: ‘Laat nooit je onzekerheid zien, laat nooit je zwakte zien. Bluf, lieg en versier.’

Maar dit boek heeft nog een tweede hoofdpersoon: Max Woiski jr. (1930-2011), die door het leven ging als Max Mackintosh, naar zijn grootvader. Max jr. kwam in de jaren vijftig naar Nederland op aandringen van Max senior, die zijn orkestje wat huidskleur betreft op peil wenste houden door er een extra donkere muzikant bij te halen. En hij zocht niet lang naar de beste kandidaat: dat was zijn eigen, muzikaal getalenteerde zoon.

In veel opzichten kopieerde Max junior vervolgens de carrière van zijn vader. Inclusief een eigen club (La Tropicana) en een eigen succeslied met culinaire connotaties: Rijst met kouseband. Waarmee ook de titel van het boek is verklaard.

Tot het laatst toe liepen hun levens parallel. Zo kwamen beiden nogal vreugdeloos aan hun einde. Met hun roem was het toen allang gedaan. Ze waren geen van tweeën meegegaan met de veranderingen die de populaire muziek vanaf eind jaren zestig had ondergaan. Hun pretentieloze feestmuziek in latin-stijl raakte volledig uit de mode – en tegen de popmuziek hadden ze geen verweer.

In een interessante epiloog onderzoekt Van den Hanenberg nog hoe het andere Surinaamse muzikanten in Nederland verging. De ontnuchterende slotsom luidt dat geen van hen in de hitlijsten ooit verder is gekomen dan de status van eendagsvlieg. Surinaamse hits waren in Nederland altijd incidenten, schrijft hij. En ze waren ook altijd ‘luchtig en lollig.’ Zo bezien wisten de Woiski's al vroeg wat er van hen in dit land werd verwacht.